“In het leger werd ik tenminste geen ‘boy’ genoemd”

Netherlands American Cemetery in Margraten
Image via Wikipedia

Als zwarte Amerikaanse officier begroef Jefferson Wiggins tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn blanke collega’s. Tijdens hun leven mocht hij nog geen koffie met ze drinken.

AMSTERDAM – “Voor de oorlog uitbrak, mochten we ons niet mengen met blanken, maar tijdens de oorlog moesten we ze begraven. Eén van de heiligste momenten in het leven. Hoe ironisch is dat?” De donkere ogen van oorlogsveteraan Jefferson Wiggins (84) schieten vuur als hij terugdenkt aan de tijd dat hij verantwoordelijk was voor de Akkers van Margraten, met meer dan achtduizend doden één van de grootste militaire begraafplaatsen van Europa. Deze week is Wiggins voor het eerst sinds 1944 weer in Nederland om te herdenken dat zijn landgenoten 65 jaar geleden Limburg bevrijdden.

De in januari opgerichte stichting Akkers van Margraten zocht voor een documentaire over de begraafplaats ruim een jaar tevergeefs naar één van de zestig Amerikaanse grafdelvers. Nadat ze de zoektocht al hadden opgegeven, stuitte ze per toeval op Wiggins. Als één van de weinige zwarte officieren in het Amerikaanse leger zorgde Wiggins ervoor dat de lichamen fatsoenlijk in de aarde terecht kwamen. Zijn peloton begroef ruim twintigduizend oorlogsslachtoffers. De meesten werden vlak na de oorlog elders in Nederland of in de Verenigde Staten herbegraven.

Strikte scheiding

Door de strikte scheiding tussen blank en zwart in de jaren veertig van de Verenigde Staten kon de 17-jarige Wiggins zich in januari 1942 alleen intekenen bij een servicepeloton. Totdat hij in Margraten werd aangesteld, hield hij zich bezig met de bevoorrading. Hetzelfde gold voor vrijwel alle 1,2 miljoen zwarte Amerikanen die dienden in de Tweede Wereldoorlog. Wiggins vuurde zelfs tijdens de invasie in Normandië geen kogel af. Hij leverde pas strijd aan de rand van de oorlogsgraven in Margraten.

“Toen we in Margraten begonnen, waren de slachtoffers vaak al drie weken dood. Tijdens de slag om de Ardennen, eind 1944, kregen we te maken met lichamen die nog warm waren. Daar stonden we dan: jonge, goed getrainde kerels. Iedereen wilde een bijdrage leveren om een einde te maken aan de onophoudelijke stroom van doden. Die kans hebben we helaas nooit gekregen. Ik ben ervan overtuigd dat de oorlog eerder was afgelopen als ons die kans wel was gegeven. Elke dag leverden wij ons eigen gevecht om de mensen die ons die mogelijkheid ontnamen niet te haten. Je haatte jezelf omdat je het liet gebeuren. Wat konden we doen? Sommigen kwamen in opstand, maar die werden voor de krijgsraad gesleept.”

Geschiedenis

Morgen is het precies 65 jaar geleden dat de Amerikanen Eijsden, Mesch, Mheer en Noorbeek als eerste Nederlandse gemeenten bevrijdden van het juk van de Nazi’s. Op 14 september was het de beurt aan Maastricht, vier dagen later was vrijwel de hele provincie bevrijd. Hierop volgde vrijwel meteen operatie Market Garden die eind september tot stilstand kwam bij de slag om Arnhem. Daardoor zou de rest van Nederland pas op 5 mei 1945 bevrijd zou worden. Alleen op Texel duurde de oorlog vanwege een opstand van Georgische krijgsgevangen nog twee weken langer.

Loopjongen

Voordat Wiggins de handtekening van zijn ouders vervalste en zich aanmeldde bij het leger was hij nooit verder dan tien kilometer van huis geweest. Thuis was in zijn geval een krotterig onderkomen op het landgoed van een rijke katoenboer in Alabama. Hier leefde hij met zijn ouders en zijn – in slavernij geboren- grootouders. Wiggens werkte als loopjongen bij een drogisterij.  De drie dollar die hij daarmee verdiende, waren hard nodig. “Wat mijn idee van Europa was? Ik dacht aan een plek, zo ver weg, dat ik er nooit heen zou gaan. Ik dacht aan rijke mensen die niets met zwarte Amerikanen te maken wilden hebben. Dat klopte. Weet je hoe ze ons bij aankomst in Engeland noemden? Jungle animals.”

De inwoners van het Limburgse dorpje Margraten beledigden hem niet. “Iedere ochtend als we begonnen, stonden er tien á twaalf jonge vrouwen te zwaaien. Ze durfden niet dichter dan honderd meter bij ons in de buurt te komen. Later begreep ik dat ze nog nooit een donker persoon hadden gezien. Eén van die meisjes sprak me op een dag aan. In perfect Engels vroeg ze aan mij hoe New York was en hoe mijn scholing was geweest. Ik denk dat dit, meer nog dan al het andere, me overtuigde van het feit, dat waar in de wereld je ook bent, alle mensen hetzelfde zijn.”

Sir

Het werk aan de graven was geestelijk uitputtend. “Als we ‘s ochtends vanuit onze barakken in België vertrokken, werd er onderweg altijd veel gepraat. Hoe dichterbij we kwamen, des te rustiger het werd. Als we aankwamen, was het muisstil. Elke dag weer die verminkte lichamen, dat was zwaar. De doden kregen geen kist zoals nu, maar werden in een matrashoes ter aarde besteld. ’s Ochtends hadden we tien minuten pauze, maar vrijwel niemand maakte daar gebruik van. Als je eenmaal stopte met werken, was het bijna onmogelijk om weer te beginnen. Je moest niet nadenken.”

Weet je hoe ze ons bij aankomst in Engeland noemden? Jungle animals

De bevrijding van Zuid-Limburg had voor Wiggins een dubbele lading. Het leger scheidde blank en zwart van elkaar. Maar hij werd door collega’s tenminste geen “boy” genoemd, zoals thuis in Alabama. Zijn ondergeschikten spraken hem met “sir” aan. Dat was thuis in het racistische zuiden uitgesloten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het bovendien duidelijk wie de vijand was. In Alabama was Wiggins overgeleverd aan de de Ku Klux Klan. “Dat kon de kruidenier zijn, maar ook de dominee”, schrijft hij in zijn in 2003 verschenen boek Another generation, almost forgotten.

Activiteiten
  • Zaterdag zijn er in Maastricht onder de noemer “Bevrijding en Ontmoeting” onder meer een defilé van Amerikaanse militairen en een openluchtconcert op de militaire begraafplaats in Margraten. Hier liggen naast Amerikanen ook Engelsen, Canadezen en Mexicanen begraven. Alle oorlogsgraven zijn geadopteerd door Nederlanders.
  • Gisteren presenteerde de stichting Akkers van Margraten in Maastricht de uitkomst van hun uitgebreide zoektocht naar overlevenden en getuigen. Het resultaat:  Van boerenakker tot soldatenkerkhof. Minister Maxime Verhagen schreef het voorwoord.
  • Professor Wiggins hield gisteren een lezing die valt terug te vinden op de website van Trouw.
  • Morgen is een montageversie van de bijbehorende documentaire te zien in bioscoop Lumière in  Maastricht.

In het boek vertelt hij dat hij als zesjarig jongetje zag hoe de KKK ’s nachts in vol ornaat langskwam om zijn vader op knopen. Als katoenplukker had Clem Wiggins zonder toestemming een baal katoen verkocht om zijn gezin te voeden dat al drie dagen niet had gegeten. Zijn vader ontsnapte via de achterdeur, maar de herinnering aan het brandende kruis bleef Wiggins altijd achtervolgen.

Toen hij na de bevrijding thuiskwam, bleek dat er weinig veranderd was. “Veel Duitse krijgsgevangenen in Alabama konden gaan en staan waar ze wilden. Zij mochten voorin de bus zitten, wij moesten achterin. Voor mij was dat echt het toppunt. Dat je in een land leeft dat de vijand beter behandelt dan jou.”

Eredoctoraat

Wiggins was kwaad, maar voorkwam dat de woede veranderde in haat. Hoewel hij de lagere school niet had afgemaakt, kwam hij door zijn militaire carrière toch in aanmerking voor een middelbare schooldiploma. Hij greep de kans aan en studeerde succesvol politicologie en geschiedenis aan de universiteit van Tennessee. In 1999 ontving de toen 74 jarige Wiggins een eredoctoraat in de Letteren aan Briarwood College in Southington, Connecticut.

“Martin Luther King leerde ons dat je moest vechten tegen de vijand, maar dat je hem niet moest haten. Hij zei: ‘Iemand die haat, raakt meer beschadigd dan de persoon die hij haat.” King staat voor Wiggins desondanks niet symbool voor hét keerpunt in de rassenkwestie. “Dat was het moment dat president Truman in 1947 een einde maakte aan de segregatie in het leger. Hij wilde dat soldaten niet meer op hun huidskleur, maar op hun vaardigheden beoordeeld werden. Dat betekende veel voor de duizenden zwarte Amerikanen die uit Europa waren teruggekeerd.”

In het leger waren de veranderingen voelbaar. “Toen ik in de jaren vijftig in Korea vocht, had ik voor het eerst de leiding over blanke Amerikanen. Dat was even wennen. Voor mij, maar vooral voor hen.” Hij wijst op één van de weinige foto’s in zijn boek. “Zie je dat symbool op de kraag van mijn uniform? Dat stond voor het 364th combat regiment.” Combat spreekt Wiggins nadrukkelijk uit. “Voor het eerst had je geen blanke en zwarte soldaten meer. We were just soldiers.

Reblog this post [with Zemanta]