Op de strooiwagen met ‘Moesi’

strooiwagen 020
Image by: Carien ten Have

In alle vroegte, als Amsterdam nog slaapt, trekken medewerkers van de Dienst Openbare Ruimte erop uit met hun strooiwagens. Zij moeten ervoor zorgen dat de fietspaden, oversteekplaatsen en tramhaltes begaanbaar blijven. Op pad met Soumitro Moustadja (50), die als sinds 1983 op een strooiwagen rijdt in het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes.

Amsterdam – Aan de Admiraal Helrichtstraat in stadsdeel De Baarsjes tuurt Ruud Kruijshoop, wijkmanager van het stadsdeel, donderdagochtend door een raam naar buiten. Volgens een thermometer aan de muur is het -1°C. “Dat klopt niet hoor”, zegt Kruijshoop. “Die thermometer staat twee graden te hoog, het is nu -3°C.” Op de grond ligt zeker drie centimeter sneeuw.

Om half zeven ’s ochtends komt een oranje wagentje het terrein op rijden. “Daar zal je Moesi hebben.” Aan het stuur van het tweepersoons voertuig zit Soumitro Moestadja (50) met een fel oranje pak aan. Op zijn armen staan reflecterende strepen. Geroutineerd parkeert hij de wagen in zijn achteruit naast een groene container met strooizout. De trechtervormige bak achterop het kleine voertuig is leeg. “Hij komt strooizout laden”, legt Kruijshoop uit.

Een grijparm schraapt over de bodem van de container het laatste restje zout bij elkaar en gooit het in de bak van Moestadja’s wagen. Normaal krijgt het stadsdeel ’s winters 18 kub. zout per dag, maar vandaag zijn ze op rantsoen. “Even een kop koffie halen”. Moestadja is al sinds vijf uur vanochtend op pad om de fietspaden in stadsdeel De Baarsjes begaanbaar te maken. Om half acht moet hij klaar zijn, nog voor de meeste bewoners van het stadsdeel op weg naar hun werk gaan. Veel tijd om zijn warme koffie op te drinken heeft hij dus niet.

“Gisteren zag ik al die fietsers al vallen”, zegt hij terwijl hij het gaspedaal indrukt en rechtsaf de Hoofdweg inslaat. In de strooiwagen is het behaaglijk warm, de voorruit is beslagen. Moestadja heeft de kachel aangezet. “Ik zorg voor de veiligheid van de fietsers. Als iemand valt tussen de Hoofdweg en het Surinameplein, dan komen ze bij mij en dan zeggen ze: ‘Moesi, je hebt niet goed gestrooid jongen.’”

Hij kijkt even naar de bruine natte sneeuw die op het fietspad ligt. Een uur geleden heeft hij het grootste deel van de natte brij al met de sneeuwschuiver voorop de wagen aan de kant geschoven. “Toen had ik nog geen zout, dus ik dacht ik ga gewoon schuiven. Je moet toch wat doen, anders is het ook zonde. Maar met dat strooizout smelt het veel sneller. Dat is mooi.”

Zijn ogen lichten even op. Met zijn rechterhand drukt hij op een knopje dat naast het stuur zit. In zijn spiegels kijkt hij naar de achterkant van de strooiwagen. Witte zoutkorrels sproeien gelijkmatig over het fietspad. Op dit tijdstip is er nog geen fietser te zien, maar Moestadja weet zeker dat ze blij zijn met het werk dat hij doet. Hij maakt de wegen in stadsdeel De Baarsjes weer begaanbaar. Als hij tenminste genoeg strooizout kan krijgen. Zelf woont hij in Amsterdam Noord en daar wordt bijna niet meer gestrooid. “Op de fietspaden laten ze de sneeuw gewoon liggen.”

“Kijk hier”, zegt Moestadja, en wijst enthousiast naar een rij knopjes op het dashboard. “Iedereen kan in een strooiwagen rijden. Hij gaat maximaal 25 kilometer per uur. Je hoeft geen rijbewijs te hebben. Je moet gewoon opletten, schuiven, op een knopje drukken en je strooit het zout. Het is niet zo moeilijk.”

Geconcentreerd stuurt Moestadja de strooiwagen half over het voetpad, en kijkt voor zich uit. Toch kan niet iedereen zomaar de straten van het stadsdeel schoonmaken. Wel moet je een bepaalde houding hebben als je de straten van het stadsdeel wilt schoonmaken: “rechtop staan, en niet bukken”.  “Als je jaren gebukt moet vegen of strooien, dan krijg je een bobbel op je rug. Zie je trouwens dat ik op de helft van het voetpad rijdt? Ik probeer een beetje een baantje te trekken voor de mensen die daar lopen. Het fietspad strooien, is het belangrijkst, maar ja, dat zag er al goed uit.”

Op de Jan Evertsenstraat kijkt Moestadja nog een keer in zijn spiegels. Het strooizout in de bak achter zijn wagen is inmiddels op en hij moet zo terug naar de Admiraal Helrichtstraat om opnieuw de zoutbak vol te laden. Snel slaat hij nog rechtsaf een binnenweg in. Met een stuurknuppel duwt hij de sneeuwschuiver naar beneden om de verse sneeuw op de smalle weg opzij te schuiven.

Bij het metalen hek van stadsdeelwerf De Baarsjes ziet hij al zijn collega’s ongeduldig wachten. Hij hoort ze onrustig praten. Als hij uit de strooiwagen springt, roept één van de mannen: “Het zout is op. We kunnen niet rijden. Er valt niets meer te strooien.”