“Deze sector is nog te bescheiden”

Kinderopvangorganisaties vechten anderhalf jaar na de Amsterdamse zedenzaak rond Robert M. nog steeds tegen een negatief imago van een man in de opvang. Het gevecht is tegelijkertijd een belangrijk onderdeel van een professionalisering van de sector.

AMSTERDAM, 29 juni – ‘Zet kinderen niet bewust op schoot.’ Het is een van de adviezen voor mannelijke kinderverzorgers bij Op Stoom, een kinderopvangorganisatie in de regio Haarlem. Op Stoom profileert zich op hun website nadrukkelijk als een instelling waar ze mannelijke ‘Pedagogische Medewerkers’ koesteren. Maar Op Stoom verscherpte wel haar protocol voor mannelijke verzorgers. Door middel van tekeningen krijgen werknemers nu te zien wat wel en wat niet mag. Woordvoerder Janneke Arts is duidelijk: ‘Daar is op dit moment bij mensen behoefte aan.’

Sinds de affaire Robert M., die in december 2010 bekende in kinderdagverblijf ‘Het Hofnarretje’ 67 kinderen te hebben misbruikt, hebben mannen in de kinderopvang het moeilijk. Zo moeilijk, dat in februari 2012 uit onderzoek van de NOS bleek dat tientallen mannen hun baan in de kinderopvang hadden opgegeven wegens alle negatieve verhalen rond de sector.

Nu het Kabinet flink in de subsidie voor kinderopvang wil snijden, daalt het aantal kinderen voor de sector. ‘De wachtlijsten zijn grotendeels verdwenen’, zegt Lex Staal, directeur van de Brancheorganisatie Kinderopvang, waarbij ongeveer tachtig procent van de 12.400 locaties voor dagopvang en buitenschoolse opvang zijn aangesloten. ‘Mensen kunnen nu kiezen welke opvang ze willen. Ze worden kritischer. Dat is goed, maar het moet niet gebaseerd zijn op een gevoel van wantrouwen.’

Bij Partou, een grote kinderopvangorganisatie in Amsterdam, merkten ze dat er meer mannen stopten met werken. Directeur Aad de Booij: ‘Bij ons werd het aantal mannen in de kinderdagverblijven voor kinderen tot vier jaar aanzienlijk minder. Veel van hen voelden zich niet prettig en meenden door ouders met wantrouwen bekeken te worden.’

Het bericht van de NOS baarde wel zorgen, zegt Staal. Hoeveel mannen er precies in de kinderopvang werken, is nooit onderzocht, zegt hij. Daarom heeft hij geen exacte cijfers. Toch ziet hij het aantal mannen wel teruglopen. ‘Zaten we twee jaar geleden nog op twee à drie procent mannen in de hele kinderopvangsector, nu is dat ongeveer 1 procent. Het was al weinig, maar nu is het bijna niets. Het vertrouwen in die mensen moet terug komen.’

Estro, een moederorganisatie voor 597 kinder- en buitenschoolse opvanglocaties, organiseerde een ‘mannenborrel’ met bier en bitterballen om met elkaar over het vak te praten. Bij Estro werken 36 mannen in kinderdagverblijven voor kinderen onder de vier jaar. De borrel beviel zo goed, dat daar in het najaar een vervolg op komt.

‘We moeten laten zien dat een man onmisbaar is in de kinderopvang’, zegt Monique Schumans, woordvoerster van Estro. ‘Vaak zijn zij een rolmodel voor kinderen. Bij mannen mogen kinderen vaak wat meer en vooral jongetjes hebben daar wat aan. Er is alleen nog geen wetenschappelijk bewijs dat mannen een positief effect hebben op kinderen. Wij hebben het nooit onderzocht.’

Daarom financiert Estro een promotieonderzoek naar het belang van mannen in de kinderopvang. Pedagoge Marleen van Polanen, die vier jaar in de kinderopvang werkte, onderzoekt onder leiding van Louis Tavecchio, bijzonder hoogleraar Kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam, wat de invloed is van mannelijke verzorgers in de kinderopvang.

Van Polanen begon haar onderzoek kort vóór de Amsterdamse zedenzaak naar buiten  kwam. Haar onderzoek heeft wel een andere lading gekregen. ‘Ik voel geen druk van buitenaf, maar er wordt altijd even naar Robert M. gevraagd. Ik moet vaker uitleggen waar het onderzoek over gaat. Het was voor sommige organisaties nog een stap om mee te werken. Voor vijf bedrijven met een man in de organisatie die niet wilden meewerken lag het onderwerp nog heel gevoelig.’

De eerste resultaten verwacht Van Polanen pas eind dit jaar te presenteren. Momenteel is ze bezig om zestig groepen in de kinderopvang te observeren, waarvan de helft een groep met mannen is. In oktober wil ze die ronde hebben afgerond. Voorlopige conclusies wil ze nog niet trekken.

Inmiddels is het grootste wantrouwen in de kinderopvang wel weggeëbd, meent Staal. Hij baseert zich op gesprekken die hij om zich heen hoort. ‘We zijn al weer een jaar verder. Mensen weten hoe de situatie in elkaar zit. Al is het nu nog te vroeg om te denken dat het gevoel helemaal verdwenen is.’

Hoewel elke man die de kinderopvang verlaat wordt betreurd, worden mannen die de kinderopvang verlaten niet volgens een algemene richtlijn opgevangen, aldus Staal. ‘De rol van de betreffende organisaties is daar heel groot in. Waar het bij ons vooral om gaat is de aantrekkelijkheid van het beroep te propageren.’

Professionalisering

Om excessen als Robert M. te voorkomen, moet de kwaliteit van de kinderopvang omhoog, vinden de organisaties in de kinderopvang. Scherpere richtlijnen moeten ook het wantrouwen van ouders doen afnemen.

Kort na de Amsterdamse zedenzaak werd daar een begin mee gemaakt. Die situatie heeft volgens Staal aangetoond dat de kinderopvang een impuls nodig had. ‘De kwaliteit van de zorg heeft de groei van de sector niet kunnen bijhouden. In dat opzicht is het incident rond Robert M. de droevige aanleiding geweest dat duidelijk te maken.’

In april 2011 presenteerde de commissie-Gunning in opdracht van burgemeester Van der Laan van Amsterdam een rapport over de kinderopvang, naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. De belangrijkste conclusies waren dat er in de kinderdagverblijven voortaan een ‘vier-ogenprincipe’ moet worden gehanteerd. Per groep moeten er in de toekomst minimaal twee begeleiders zijn.

Kinderdagverblijven moeten bovendien ‘open’ worden gemaakt. ‘Dat komt neer op veel glas en bijvoorbeeld ramen in deuren. Elke plek in het gebouw moet zichtbaar zijn’, zegt Schumans, woordvoerder van Estro. De aanbevelingen van de commissie worden goed uitgevoerd, bleek uit een voortgangsrapport eind 2011. Het kabinet geeft in 2012 24,9 miljoen euro uit aan toezicht en handhaving.

Het rapport heeft volgens Schumans veel invloed gehad. ‘Er wordt binnen Estro nu met een ‘Gunning-oog’ door de panden gelopen. Dan zien we dat er in die deur daar nog een raam moet, bijvoorbeeld.’

In augustus 2011 opperde Minister Kamp van Sociale Zaken de mogelijkheid camera’s op te hangen in de kinderdagverblijven. In enkele panden is dat daadwerkelijk doorgevoerd, maar niet iedereen is daar even enthousiast over.

‘Cameratoezicht is geen goede oplossing’, zegt Schumans. ‘Het vier-ogenprincipe is veel beter. En je moet ook het positieve benadrukken. Meer samenwerking met andere instanties om het belang van goede kinderopvang te verduidelijken. Deze sector is nog te bescheiden.’

Voorzitter van de Brancheorganisatie Kinderopvang Lex Staal ziet vooral de oplossing in betere communicatie. ‘Het gebrek van een ‘aanspreekcultuur’ binnen de kinderdagverblijven schoot ernstig tekort. Dat is de grootste les van deze situatie geweest. Het was bijna not done elkaar over werkzaamheden aan te spreken. We zijn nu bezig de teamleiders aan te spreken om die cultuur te veranderen.’

Ook bij Partou wordt daar inmiddels strenger op toegezien. ‘De locatiemanager krijgt bij ons nu meer ondersteuning in handhaving van de dingen die wij wel of niet vinden kunnen’, zegt Partou-directeur De Booij. ‘Als iemand een sms verstuurd terwijl hij of zij met kinderen bezig is, kan hij een waarschuwing krijgen. En met twee waarschuwingen kunnen we zeggen dat we hem niet geschikt vinden voor ons. Dat je die openheid creëert om dat te zeggen, is heel belangrijk.’

‘Als een teamleider moet je aan een collega kunnen vragen waarom hij dat kind vast heeft’, zegt Staal. Die open cultuur moet in de opleiding tot pedagogisch medewerker al gedoceerd worden. ‘Er moet meer aandacht komen voor de randvoorwaarden van de opleiding. Hoe creëer je een weerbare medewerker, die weet hoe je moet werken in een ‘open’ omgeving.’

Dat kost tijd, erkent Staal. ‘De onderwijswereld is een trage molen. Nieuwe eisen aan de opleidingen kunnen pas vanaf 2014 gerealiseerd worden, omdat een wijziging in het lesprogramma meerdere jaren nodig heeft. De eerste afgestudeerden komen pas in 2017 op de markt.’

‘In de tussentijd is het belangrijk trainingen te geven aan het huidige personeel’, zegt Staal. ‘We moeten het gat overbruggen. Op dit moment zijn die scholingen volop in ontwikkeling.’

Ook Estro ziet het belang van goede scholing. In maart van dit jaar ging de organisatie daarvoor samenwerken met ROC Midden Nederland. Na ROC Leiden is het de tweede beroepsopleiding waarmee Estro intensieve contacten gaat onderhouden. ‘Lessen worden meer praktijkgericht’, zegt Schumans. ‘Wij verzorgen de stages in onze instellingen en op deze manier is er meer inspraak voor ons. Zo focussen we heel veel op taalbeheersing en geven we aandacht aan bijvoorbeeld het herkennen van kindermishandeling.’

Staal: ‘In combinatie met een betere screening van mogelijke werknemers, komt dit de kwaliteit van de mensen ten goede. We bellen nu standaard twee referenties na om te kijken wie een nieuwe werknemer is. Als iemand in Duitsland gewerkt heeft, gaan we dat bedrijf echt nabellen. Dat werd een paar jaar geleden niet altijd nog gedaan.’

‘Uiteindelijk is het ideaal een betere kinderopvang met evenveel mannen als vrouwen’, zegt Staal. Dat lijkt met een percentage van een à twee procent nu echter weinig realistisch. De Europese norm van twintig procent mannen in de sector zal niet worden gehaald. Schumans: ‘Dat bekt lekker, maar dat gaat zeker niet lukken.’

Bij Op Stoom hebben ze inmiddels een heel eigen methode om mannen te behouden. Arts: ‘We hebben de mannen verteld hoe geweldig we ze vinden. Wij geven vooraf ook heel duidelijk aan dat er bij ons mannen werken. De gezinnen kiezen daarna gewoon zelf. Als ze geen man willen, helemaal prima. Dan komen ze gewoon niet.’