“In Amsterdam kon niemand mij”

Robert bij de Dappermarkt in Amsterdam-Oost waar hij wekelijks te vinden is.
Robert bij de Dappermarkt in Amsterdam-Oost waar hij wekelijks te vinden is.

Migranten geven Amsterdam karakter. Wie zijn ze en hoe ziet hun eerste dag eruit?

Robert van der Velden (1990)
Amsterdammer sinds 2009

“Ik was achttien toen ik naar Amsterdam vluchtte. Ik had het gehad met Texel en de mensen. In de derde klas van de middelbare school ging ik van het vwo naar het havo. Dat heb ik heel makkelijk afgemaakt. Toen dacht ik: ik moet eigenlijk nog vwo gaan doen, maar dat heb ik niet gedaan, omdat ik gek werd van het eiland. Het was zo klein. De dijken vormden een afbakening van wat er überhaupt was. Dat voelde heel limiterend. Er waren velden met schapen en bloemen en dan had je in de dorpjes een paar winkeltjes. Ik denk dat het vergelijkbaar is met je laatste jaar op de basisschool. Dan ben je gewoon heel erg klaar om naar de middelbare school te gaan. Ook ik wilde verder.

“Heel soms, één keer in de drie jaar, ging ik met mijn moeder mee naar Amsterdam. We gingen meestal naar Artis. Ik weet nog dat ik dacht: hier is echt alles! Dan wordt het eiland nog kleiner. Ik vond dat contrast heel grappig. Het is alsof de enige hond die je kent een chihuahua is en dat je dan opeens een herdershond tegenkomt.

“Bij de keuze van mijn studie was het een vereiste dat het in een grote stad zou zijn. Het werd Amsterdam. Toen ik aankwam op Amsterdam Centraal kwam de vriend van mijn oudere zus, Rob, me ophalen. Toen we bij de tramhalte aankwamen ging Rob de kaartjes regelen. Terwijl ik stond te wachten kwam er een man naar me toe die vroeg of ik de weg kon vinden. Wat een aardige kerel, dacht ik en zei hem dat het wel zou lukken. Toen stelde hij voor dat hij me rond kon leiden in de stad. Ik antwoordde: “Nee, dank u.” Even later kwam de vriend van mijn zus terug. Hij had me met de man zien praten en zei: “Of hij had je tas gestolen of hij wilde je geld.” Ik vond het gewoon een aardige man.

“Ik vond het geweldig dat ik behalve mijn zus en haar vriend niemand kon in Amsterdam. Zo zeggen wij dat op Texel, niet ik kende, maar ik kon. Het was natuurlijk wel een hele grote stap van ‘iedereen kent je’ naar ‘niemand kent je’, maar ik vond het heel erg bevrijdend. Ik had geen identiteit. Ik begon opnieuw. Dat vond ik het ergste op Texel. Alle mensen kon je. Als je zei: “dat is de zoon van” dan wist iedereen wie het was.

“Op de basisschool werd ik heel erg gepest. Ik werd vaak uitgescholden voor homo. Bij een voetbalwedstrijd, ik zat in groep vier, had mijn team een keer gescoord en heb ik, nadat ik de bal had gezoend, een teamgenootje een zoen op de wang gegeven. Eén iemand begon dat toen te roepen en de anderen namen het over. Ze riepen het op de gang, op het schoolplein, waar dan ook. Dat was echt heel kut. Op de middelbare school werd dat nog erger, want toen gingen mensen die je niet eens kende dat ook roepen. Iedereen wist dat op een bepaald moment. Zeker met één middelbare school op Texel viel daar niet aan te ontkomen.

“Het pesten kwam voornamelijk vanuit de vmbo-klassen. Een paar keer heb ik het er ook niet bij laten zitten en toen heb ik gewoon iemand, waar iedereen bij was, flink te grazen genomen. Toen wisten mensen dat ze niet met mij moesten sollen. Ik heb hem helemaal bont en blauw geslagen. Die jongen is toen een week geschorst omdat hij mij zo aan het pesten was. Mijn ouders, twee docenten en mijn mentor gaven me ook dat advies. “Bijt gewoon een keer van je af, desnoods sla je ze kort en klein”, zeiden ze. Het heeft nog heel lang geduurd, maar toen ik dat uiteindelijk deed hielp het enorm. Ik vond het vreselijk. Ook nadat ik hem in elkaar had geslagen voelde ik me vreselijk, maar zo dwong je wel af dat iedereen zijn mond hield.

“De dag dat ik naar Amsterdam verhuisde was een reset. Samen met mijn zus ging ik winkelen in de Kalverstraat. Ik vond het in Amsterdam heel fijn om mensen om me heen te hebben die ik gewoon niet kón kennen. Het waren er gewoon teveel. Ik keek mijn ogen uit. Ik had meteen het gevoel dat ik erbij hoorde. Ik weet niet waarom, het is eigenlijk heel onlogisch. Ik had met een paar mensen achter de kassa staan praten, niet eens met een echte Amsterdammer, maar ik had meteen het idee: ik zit in Amsterdam, ik voel me hier helemaal thuis.”