‘Eindelijk woonde ik in een wereldstad’

Migranten geven Amsterdam karakter. Wie zijn ze en hoe zag hun eerste dag in Amsterdam eruit?

Jeannine Laurens (1974) is medeoprichter van de stichting ANAK. Hiermee helpt ze Filipijnse jongeren uit de sloppenwijken onder meer met studiebeurzen. Zelf heeft ze Indische ouders en groeide ze op in het Friese dorp Veenwouden. “Als ik niet werd nagewezen, scholden de kinderen me wel uit voor een vieze Chinees.”

Jeannine Laurens (Foto: Stefanie Amirkhan)
Jeannine Laurens (Foto: Stefanie Amirkhan)

“Op een koude zondagmiddag in oktober 1998 reed ik met mijn ouders vanuit Groningen naar een appartement vlakbij station Holendrecht. Ik was net afgestudeerd, maar er was geen werk te vinden. Niet dat ik dit erg vond: inmiddels was Groningen toch veel te klein voor me geworden. Zonder baan kon ik alleen nog geen zelfstandige kamer vinden, dus nam ik genoegen met een kamer in een koophuis. Ik wist alleen dat de eigenaar een Antilliaanse man was, meer niet. In de deuropening zag ik hem voor het eerst. Daar stond opeens een donkere man van twee meter met alleen een witte boxershort aan. Even dacht ik: misschien overleef ik het niet, maar dan ben ik in ieder geval weg uit de provincie.”

“Die Antilliaan heette Joshi. Hij was gescheiden en kon de huur niet betalen zonder de kamers te verhuren. Mijn moeder had een pan bami mee en vroeg of hij wilde mee eten. “Graag”, antwoordde hij met een brede glimlach. Uiteindelijk werd het heel gezellig en aan het eind van de avond lieten mijn ouders me met een gerust hart achter. Na twee maanden kon ik een kamer aan het Surinameplein huren. Huilend heeft hij afscheid van me genomen.”

“Mijn jeugd bracht ik door in Veenwouden, een gehucht in Friesland. Er woonden vooral boeren die nog nooit een donker of Aziatisch meisje hadden gezien. Als ik niet werd nagewezen, scholden de kinderen me wel uit voor een vieze Chinees. Daar snapte ik als klein meisje niets van. “We zijn toch niet Chinees?”, vroeg ik dan aan mijn moeder. “Nee, wij niet, maar je hebt wel een Chinese opa”, zei ze dan. Waarschijnlijk wilde ze meer kwijt over de familie, maar ik besloot maar niet door te vragen.”

“Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik was toen ik naar de middelbare school in Leeuwarden kon. De hoofdstad. Naast mijzelf zaten ook een paar Surinaamse kinderen in de klas en hier waren de mensen al een stuk minder boers. Na mijn examen zocht ik het iets verder op; in Groningen startte ik met de opleiding Sociale Geografie. Ik voelde me nergens op mijn gemak: niet tussen de nette economiestudenten die er rondliepen, maar ook niet tussen de geitenwollensokkenstudenten binnen mijn eigen studie.”

“Bij mijn bijbaantje veranderde dit. Ik kon aan de slag bij een Chinees restaurant bij de botanische tuinen van Hortus Haren. Dat werd gerund door een stel oude Chinese vrouwtjes die slecht Nederlands spraken. Ze namen daarom juist Aziatisch uitziende studenten aan die wel goed contact met de klanten konden hebben. Allerlei mensen werkten daar: Chinese jongeren die hier geboren waren, maar ook Koreaanse jongeren die door Nederlandse gezinnen geadopteerd waren. Voor de klanten waren we maar een raar verschijnsel. “Wat spreek je goed Nederlands, zeg”, zeiden ze dan. Als je vertelde dat je hier geboren was en naast je werk ook nog studeerde, keken ze je stomverbaasd aan. Gelukkig was iedereen in de bediening daar slachtoffer van. Samen lachten we de klanten hard uit.”

“Na mijn komst in Amsterdam heb ik een jaar puur voor het geld bij de ING Bank en Randstad gewerkt. Hierop besloot ik de lerarenopleiding te volgen aan de UvA en kon ik als aardrijkskundelerares terecht op een middelbare school in Amsterdam Nieuw- West. Daar leerde ik steeds meer mensen uit verschillende wijken en milieus kennen. Zij vroegen me niet, “ben je Chinees?”, maar, “waar kom je vandaan?”. Heerlijk voelde dat. Eindelijk woonde ik in een wereldstad.”