“Ik heb een beter gevoel bij Rotterdam”

Anna Enquist (Foto: Bert Nienhuis)
Anna Enquist (Foto: Bert Nienhuis)
Anna Enquist is de nieuwe stadsdichter van Amsterdam. De komende twee jaar reageert zij via de poëzie op Amsterdamse actualiteiten. Woensdag publiceerde ze haar eerste stadsgedicht. Volgende maand waagt ze zich aan de gemeenteraadsverkiezingen. “Ik kan een stem in elk debat zijn.”

“Het is vooral een groot experiment.” Anna Enquist (68) laat de benoeming tot stadsdichter van Amsterdam rustig over haar heen komen. Afgelopen woensdag werd Enquist, pseudoniem van Christa Widlund-Broer, in haar nieuwe functie gepresenteerd tijdens het Gedichtenbal. Concrete ideeën heeft ze nog niet, maar poëzieavonden over muziek en voetbal lijken Enquist een goed idee.

Enquist werd meerdere malen bekroond voor haar poëziebundels. Zo won ze de C. Buddingh’-prijs (1993) en de VSB Poëzieprijs (2000). Vorig jaar schreef ze het poëziegeschenk, ‘Een kooi van klank’. Haar romans ‘Het geheim’ en ‘Het meesterstuk’ betekenden de grote doorbraak. In juni verschijnt haar nieuwe roman ‘Kwartet’.

De stadsdichter van Amsterdam wordt om de twee jaar gekozen door het stadsdeel Centrum en publiceert in Het Parool. Enquist volgt Menno Wigman op. Wigman sprak uitgebreid over zijn stadsdichterschap in het NRC Handelsblad en Het Parool. Enquist reflecteert op zijn uitspraken.

Wigman: “Amsterdam is mij dierbaarder dan Nederland.” En over Rotterdam: “veel rauwer en hardvochtiger dan Amsterdam”. (Het Parool, 5 december 2013)
Enquist: “Ik heb een beter gevoel bij Rotterdam. Het lijkt alsof Rotterdammers meer één zijn. Maar daar zal het af en toe ook vreselijk zijn. Het is waarschijnlijk omdat ik in Amsterdam woon, dat ik meer word geconfronteerd met de rotzooi op straat en de gebreken hier. Wat ik aardig vind aan Amsterdam, zijn de vele parken. Met mijn twee kleinkinderen ontdek ik hoeveel er voor hun te doen is in Amsterdam.”

Wigman: “Als ik op alle opdrachten was ingegaan had niemand ooit nog iets van me willen lezen. Sommige mensen wilden binnen drie dagen een gedicht, voor de opening van een bakkerij – dat zag ik mezelf niet doen.” (NRC, 31 januari 2014)
Enquist: “Ik moet goed kijken wat ik aan kan. Het stadsdichterschap komt naast mijn gewone werk. Ik heb een kleine praktijk en kleinkinderen. Dat gaat altijd door. Maar van het schrijven van proza ben ik even verlost omdat ik net mijn nieuwe roman ‘Kwartet’ heb ingeleverd. Het zal wel druk worden met interviews.

“Naast de opdrachten moet ik zelf ook bepalen wanneer een gedicht iets kan toevoegen aan de actualiteit. Ik lees al jaren elke dag Het Parool en zal nu gehaaider gaan kijken naar het Amsterdamse nieuws.”

Wigman: “Ik heb geprobeerd gedichten te schrijven die reageren op een gebeurtenis, maar die je ook kunt lezen zonder dat je de aanleiding kent. Ik wilde mijn gedichten boven het moment laten uitstijgen. ” (NRC, 31 januari 2014)
Enquist: “Dat is het mooiste. Dan kun je het gedicht later ook nog in een bundel gebruiken. Ik moet als stadsdichter elk jaar zeven gedichten schrijven over de actualiteit. Dat is best veel, ik ben niet zo’n snelle schrijver. Het schrijfproces is veel dwingender en ik moet veel actiever op zoek naar onderwerpen.

“Gedichten veranderen wanneer je vanuit een opdracht schrijft. Ik heb minder tijd. Een gedicht heeft tijd nodig om in te dikken. Het zou kunnen dat de kwaliteit daar minder van wordt, maar dat maakt me niet zoveel uit. Mijn gedichten zullen langer worden en daarmee misschien ook iets begrijpelijker. Trouwens, voor het poëziegeschenk schreef ik vorig jaar in drie maanden tien gedichten.”

Wigman: “Het dichterschap, waarbij je je toch afzondert om tot poëzie te komen, staat mijns inziens op gespannen voet met dit ambt.” (NRC, 31 januari 2014)
Enquist: “Als stadsdichter ben ik me bewuster van mijn publiek. Normaal schrijf je vanuit een eigen innerlijke motivatie. Nu houd ik er toch meteen rekening mee dat het wordt gepubliceerd in Het Parool. Het moment van confrontatie met het publiek komt veel sneller. Het publiek heeft de keuze mijn bundels te kopen, maar Het Parool ziet iedereen. Dat voelt als een plicht om het publiek tegemoet te komen. Die calvinistische verplichting moet ik misschien loslaten.

“Met een actueel gedicht kan ik wel een stem in elk debat zijn. Het stadsdichterschap wordt dan ook een mogelijkheid tot persoonlijk activisme. Vandaar dat mijn eerstvolgende gedicht waarschijnlijk over de gemeenteraadsverkiezingen zal gaan. Gemeentepolitiek is theater. De burger denkt dat hij inspraak heeft, maar ondertussen worden er allemaal beslissingen genomen waar hij niks van weet.

“Mijn eerste stadsgedicht was mild, ik wilde niet meteen als een kankeraar overkomen. Ook naar Het Parool toe leek me dat aardiger. Maar ik heb de vrijheid te schrijven wat ik wil.”