“Poëzie is de muziek van woorden”

Poëzieworkshop in bibliotheek Mercator. (Foto: Tirza van der Graaf)
Poëzieworkshop in bibliotheek Mercator. (Foto: Tirza van der Graaf)
In het kader van de Poëzieweek worden in verschillende Amsterdamse bibliotheken workshops gedichten schrijven gegeven. Daar kunnen velen wat van opsteken. “Normaal schrijf ik alleen maar Sinterklaasgedichten.”

In de bibliotheek op het Mercatorplein lopen mensen heen en weer tussen een schaal koekjes die op tafel staat en de koffieautomaat. Acht vrouwen van rond de zestig en één jongere man zijn gekomen voor de workshop gedichten maken.

“Ah, de bibliotheek heeft zelfs voor lekkere koekjes gezorgd”, zegt schrijfster en docent Wilma van den Akker (54). Twee jaar geleden rondde ze haar opleiding aan Dactylus, een opleiding voor schrijfdocenten, af. Tijdens de Poëzieweek, die nog tot en met volgende week woensdag loopt, geeft ze de workshop gedichten maken vier keer. Ze vinden allemaal plaats in Amsterdamse bibliotheken, zoals de OBA bij het Centraal Station en de bibliotheek in de Linnaeusstraat.

Muziek van de woorden
De docente vraagt de deelnemers tijdens een voorstelrondje te vertellen wat ze met poëzie hebben. “Ik hou ervan creatief bezig te zijn door bijvoorbeeld viool te spelen. Maar poëzie is voor mij de muziek van de woorden”, zegt oud-docente Frans Agnes Leeguit (67). De rest van het klasje lacht en knikt instemmend.

De eerste oefening begint met het lezen van het gedicht Antwoordapparaat van Joke van Leeuwen. De deelnemers moeten op een werkblad waar 160 blokjes op staan, het personage in het gedicht antwoorden. “Het is eigenlijk een sms”, legt Van den Akker uit. “Weten jullie wat emoticons zijn?” Sommige deelnemers schudden verbaasd hun hoofd. “Gebruik ze dan maar niet”, lacht Van den Akker.

“Ik vond dit helemaal nergens op slaan, dat in die hokjes schrijven”, zegt een deelneemster achteraf. “De hokjes dwingen je in een bepaald kader te denken. Zo moet je op een andere manier werken dan normaal, waardoor je nieuwe inspiratie kunt opdoen”, legt Van den Akker uit. De vrouw haalt verbaasd haar schouders op.

Pijperig
Dan begint de tweede oefening. De groep loopt met gele post-its door de bibliotheek, op zoek naar verschillende voorwerpen. Daar moeten ze een bijvoeglijk naamwoord van bedenken en er vervolgens een dichtregel van op de post-it schrijven, die ze op het voorwerp plakken.

Zodra de groep klaar is, loopt Van den Akker langs alle gele briefjes met dichtregels. “Dit licht maakt me pijperig” staat op een pilaar. “Die heb ik geschreven”, zegt Annemarie van de Vusse (65) schaterend. Ze schudt lachend ‘nee’ op de vraag of ze haar dichtregel wil toelichten.

Sinterklaasgedicht
Aan het einde van de workshop schrijven de deelnemers een eigen gedicht van tien regels. Ze zijn zichtbaar minder geconcentreerd dan eerst. Achter hen zit een man op zijn telefoon te sms’en, met het geluid nog aan. “Meneer, uit dat ding nu hè! Het is echt héél irritant”, zegt een medewerkster van de bibliotheek. De man knikt schuldig en legt zijn telefoon weg.

Als Van den Akker de workshop heeft afgesloten, komen alle deelnemers enthousiast een hand geven om gedag te zeggen. Of ze beter gaan schrijven door haar workshops, vindt Van den Akker lastig te zeggen. “Maar je ziet wel dat ze er in hun hoofd nadenken over taal en wat ze schrijven en zo in ieder geval iets opsteken.” Dat geldt ook voor oud-docente Leeguit. “Ik vond het leuk associatief bezig te zijn, bijvoorbeeld toen we zelf bijvoeglijke naamwoorden moesten bedenken. Dat had ik nog nooit gedaan. Normaal schrijf ik alleen maar Sinterklaasgedichten.”