‘Radicalisering heeft niets te maken met het islamitisch geloof’

El Tawheed moskee op de Jan Hanzenstraat
El Tawheed moskee op de Jan Hanzenstraat

De imam van de salafistische El Tawheed-moskee ziet mogelijk verbod van salafistische organisaties als onderdeel van politiek spel. “Als ze toch iets willen verbieden, waarom dan niet de PVV?”

West –Onder aanvoering van Ahmed Marchouch (PvdA) onderzoekt de Tweede Kamer of salafistische organistaties verboden kunnen worden. Het salafisme zou “het voorportaal van de jihad” zijn. NAP Nieuws sprak over een mogelijke verbod en de rol van salafistische organisaties in de deradicalisering van islamitische jongeren met Mahmoud el Shershaby (58). El Shershaby is oprichter en een van de imams van de salafistische El Tawheed-moskee in Oud-West.

Het argument voor een mogelijk verbod is dat salafistische organisaties tegen de democratische rechtsstaat zouden zijn. Salafisten zouden liever een islamitische staat stichten in Nederland.

“Wij willen helemaal geen islamitische staat stichten. Als die er moet komen, komt die vanzelf wel door het persoonlijk streven van gelovigen naar de juiste weg. Daarnaast kan het salafisme prima bestaan in een democratische rechtsstaat. In de soenna staat wat wel en niet goed is volgens het geloof. Homofilie is slecht volgens de islam, net als overspel en stelen. Voor christenen is dat trouwens ook allemaal verboden. Maar de strafzaken kunnen niet door individuen behandeld worden. De staat bepaalt of het strafbaar is, ook dat is onderdeel van de islam.

De motie is een politiek spelletje. De partijen zien dat het geluid van Wilders zetels oplevert in de peilingen en dus gaan andere partijen daarin mee. Ik was wel verbaasd dat het door een moslim is ingediend (Ahmed Marcouch, red.), maar hij moest het waarschijnlijk van zijn partij doen.

Hij zou zich beter kunnen bezighouden met een verbod op de PVV als hij iets wil verbieden. Die partij beledigt de grondwet. Het gedogen van discriminatie is geen vrijheid, maar viezigheid. En dat is wat nu gebeurt, in het parlement.”

Verschillende politici hebben zich tegen een verbod uitgesproken, omdat contact tussen de overheid en salafistische organisaties radicalisering zou kunnen voorkomen. Ziet u het ook als taak van salafistische organisaties om de overheid te helpen met deradicalisering van islamitische jongeren?

“Ik houd niet van de term radicalisering. Nu kan iedere moslim beschuldigd worden van radicalisering, omdat de inhoud van het woord te vaag is. Hetzelfde geldt voor een woord als integratie. Als er geen duidelijke definitie van die woorden komt, zorgt dat voor verdeeldheid in de samenleving.”

Laten we dan in dit gesprek de volgende definitie hanteren: er is sprake van radicalisering als iemand zich aansluit of dreigt aan te sluiten bij een gewelddadige of terroristische groepering. Gaat u akkoord met deze definitie?

“Ja.”

Dus, vindt u dat u mee moet werken aan de deradicalisering van islamitische jongeren?

“Het is niet mijn taak. Radicalisering heeft niets te maken met het islamitische geloof. De islam staat los van de aanslagen in Parijs of de verkrachtingen in Keulen. Geweld is verboden volgens de islam, net als overspel. Ik vind dat dat verband daarom niet gelegd moet worden. Zo’n verband is een vorm van onderdrukking.
Als imam vertel ik wat volgens de bronnen van het geloof de juiste weg is. Als iemand vraagt of hij geweld mag gebruiken tegen ongelovigen, zeg ik nee. Niet om radicalisering te voorkomen, maar omdat in de Koran staat dat dat niet mag. Dat is mijn taak.

Daarnaast wordt de radicalisering van islamitische jongeren onevenredig breed uitgemeten. Er gaan ook mensen naar Israël en Koerdistan om te vechten. Dat is net zo goed radicalisering, maar daar hoor ik nooit iets over. In elke groep zitten gekken, maar doordat er nu met twee maten gemeten wordt kleeft het stigma van radicaal aan elke moslim. Dat is niet hoe we met elkaar om moeten gaan in een beschaafde wereld. Anders had iedereen na de aanslag van Breivik ook iedere christen als radicaal moeten bestempelen.”

Wiens taak is het wel om iets te doen aan radicalisering?

“Dat moet u mij niet vragen. Ik ben theoloog, over het voorkomen van criminaliteit weet ik niets.”