Ultraloper Marco Groot: “Iedere wedstrijd loop ik tegen mezelf.”

Van stadsgrenzen tot taalbarrières, Amsterdam kent vele grenzen. In de rubriek Grenzeloos Amsterdam kijkt NAP Nieuws verder. Vandaag aflevering 11: De ultraloper.

Het geluid van mijn schoenen die neerkomen op het asfalt valt weg bij de herrie van het verkeer. Een paar maanden geleden hadden ze nog de charme van een nieuw stel sportschoenen. Nu zitten er moddervlekken op, en aan de binnenkant zit bloed van de paar keer dat ik vergat mijn hielen in te tapen.

Drie paar sportschoenen en meer dan duizend kilometer verder, ben ik geen absolute beginner meer. Maar vandaag voel ik me een broekie. Ik loop namelijk naast Marco Groot (49). Hij is ultraloper en doet mee aan wedstrijden van honderd kilometer.

Ondanks dat het buiten vriest, neemt mijn hoofd al snel dezelfde kleur aan als mijn shirt: knalrood. In tegenstelling tot Marco. Hij loopt gecontroleerd, alsof het geen moeite kost. “Als je me een paar jaar geleden had verteld dat ik honderd kilometer zou lopen, dan had ik je voor gek verklaard.” Hij werkte als bankier maar was het oneens met de regelgeving. Dus besloot hij in 2012 te stoppen met werken en meer te gaan sporten. “Een middelvinger naar het systeem.”

Nu traint hij bijna elke dag, vandaag zelfs drie keer. Tijdens het rennen praat Marco in lijstjes. Zo zijn er volgens hem een paar soorten mensen die aan ultralopen doen. Zelf behoort hij tot de eerste groep: de mensen die het graag willen maar het niet zo goed kunnen. “Ik ben niet snel. Wanneer ik te lang op een te hoog tempo loop, dan word ik hartstikke chagrijnig.”

Om dat te voorkomen, is hij continu bezig met het reguleren van zijn hartslag. Steeds de afstand en tijd herberekenen. Om gek van te worden, schiet er door mijn hoofd terwijl we over een modderig pad langs de Bosbaan rennen. Ikzelf loop pas lekker wanneer ik vergeet hoe ver ik ben, hoe laat het is. Maar voor Marco is het een manier om bij de les te blijven, de wedstrijd door te komen.

“Iedere wedstrijd loop ik tegen mezelf. Kijken hoe ver en hoe snel ik kan. Elke keer verleg ik mijn grens een beetje. Daar zit voor mij de competitie.” Maar dat doet hij niet door altijd tot het uiterste te trainen. “Soms moet je een stap terug doen om beter te worden.” Met tegenzin gaan lopen doet hij dan ook nooit.

Mijn beeld van ultralopers werd gevormd door verhalen over hallucinerende lopers die dagenlang achter elkaar niet sliepen. Zover zou hij het nooit laten komen, zegt Marco. “Ik stap er redelijk makkelijk uit.” Toch zoekt ook hij fysiek en mentaal de grens op. Het ultieme: de Western States 100 in Amerika. Honderd mijl (dat is 160 kilometer) met achtduizend hoogtemeters door de Rocky Mountains lopen.

Wanneer ik Marco vraag wat hij doet als beloning na een wedstrijd, kijken een stel vragende ogen me aan. “Hoe moet ik mezelf belonen?”. De voldoening zit voor hem niet in een avond bier drinken, maar in het genieten onderweg en de finish halen. En hij heeft gelijk, ook ik krijg een stoot adrenaline van een goede trainingssessie zoals vandaag. Maar de beloning zit hem net zo goed in de reep chocola die ik openscheur bij thuiskomst.