In zijn nieuwe roman Alles voor de Reis geeft Adriaan van Dis woorden aan een verzwegen liefde, op het moment dat zijn geliefde aan haar laatste dagen begint. Het blijkt een uitstekend uitgangspunt om te onderzoeken waar het geluk het beste gedijt: in het woord of in de stilte?
Als twee mensen samen iets moois meemaken, staan ze voor een keuze. Want wat dient het genot het best? Is het geluk te vergroten door het te benoemen? Of blijft het beter bewaard in stilte? Kortom: kan de taal de werkelijkheid überhaupt wel eer aan doen?
Dat is de grote vraag waarover Adriaan van Dis zich buigt in zijn nieuwste roman Alles voor de Reis. Daarin lezen we over een verhouding van 38 jaar, die zich grotendeels in de schaduw voltrok. Het stilhouden wordt zelfs door de ik-persoon geroemd als noodzakelijke voorwaarde voor die liefde: ‘Hoe meer vragen je stelt, hoe meer je ontrafelt, hoe minder betovering.’
Maar dan bevindt hij zich in het hospice, naast het sterfbed van zijn Eefje, waar hun samenleven stil zal vallen. Hij schudt haar kussen op, kust haar morfinepleisters en smeert lavendelolie op haar benen. Eefje komt al snel tot de conclusie dat het zonder woorden een mager sterven zal worden, en dus wenden zij zich tot de taal om nieuw leven mogelijk te maken. Ze gaan op reis.
De Ander
Die spelregelwijziging krijgt extra gewicht in aangezicht van ‘De Ander’, de man met wie de hoofdpersoon Eefje al die jaren moest delen en over wie men zweeg. Zijn aanwezigheid was ononderhandelbaar. Part of the package.
Van Dis beschrijft deze Eefje als iemand die dermate bewonderd wordt – door haar schoonheid, ongenaakbaarheid – dat concessies overbodig zijn. Het type mens wier gulzigheid doorgaat voor levenslust en zodoende de wereld vrijelijk schikken kan. De twee mannen vouwden zich om haar heen.
Veel aandacht gaat uit naar de exclusieve reisjes van Eefje en de ik-figuur. Dikwijls gemaakt om buitenlandse schrijvers te paaien voor het boekenprogramma dat hen verbond. Hoewel dat allicht het prettigst is om aan te denken wanneer de dood voor de deur staat, levert het niet de interessantste literatuur op. Vooral het verhaal waarin zij in Senegal in een opzichtige toeristenval trappen, – er was helemaal geen haai – leest als een kiekje van een vakantie waar je niet bij bent geweest.
Het vanzelfsprekende verkieslijk
Veel meer spanning zit in de scènes waarin Van Dis beschrijft hoe deze onwaarschijnlijke verhouding al die tijd standhield. Naast de inschikkelijke aard van de hoofdpersoon, vakkundig erin gemept door zijn uit Indië gevluchte vader, is daarvoor een grote rol weggelegd voor de vrije naoorlogse moraal, die hun relatie dooraderde. De huidige tijdgeest, en zijn neiging tot ophokken, laakt Van Dis als tomeloos tuttig. Ook hier is het vanzelfsprekende verkieslijk: ‘Zij [Eefje, DvB] handelde vrij, zonder manifest. Had geen Dolle Mina nodig.’
Wie hedendaagse woorden optuigt als ‘ethische non-monogamie’ – een oeroud concept aangekleed met acht lettergrepen – is vrijheid niet aan het vieren, maar heeft het veeleer geïnstitutionaliseerd. Reden genoeg voor Van Dis om ook het toeval te loven: ‘Zoals je aan een oever in het wilde weg bloemen plukt – in bloei, in knop – zet het toeval twee mensen naast elkaar.’ Soms gebeurt het gewoon.
Knusse verkering
De kracht van de roman zit in Van Dis’ pleidooi voor het onbenoemd laten van wat ook zonder woorden aangrijpende kracht bezit. Dat pleidooi is doordesemd van poëzie, vaak voorgedragen aan Eefjes bed. Het levert een mooie bloemlezing op, genoeg om je ervan te overtuigen dat het opgeroepen beeld soms volstaat.
De stijl is eveneens dichterlijk. Plukkerig, met zinnen als noten van een harp: ‘Niet in fantasieën vluchten, maar in elkaar. We vlochten ons ineen. Armen, voeten, heupen. In kwetsbare overgave. Nooit eerder kon ik dat. Zij leerde het mij.’
Her en der wordt het al te frivool, wanneer Van Dis zichzelf toestaat in proza te rijmen: ‘Genegenheid stond thuis op rantsoen. Was ik daarom blij met elke gestolen zoen?’ Gelukkig gebeurt dat niet al te vaak.
Aan het eind van de reis kan gesproken worden van een liefdevol en teder samen sterven. Met aandoenlijke inkijkjes in een knusse verkering. Beschreven in alle woorden die daarvoor nodig zijn.
