Tijdens de Nationale Tuinvogeltelling werd afgelopen weekend een recordaantal tuinvogels geteld. Ecoloog Marij Veugelers (72) telde mee in de hoofdstad. ‘Je wil zoveel mogelijk vogels om je heen hebben.’
‘Moet je nou toch eens zien! Je belt me precies terwijl ik een ooievaar zie vliegen. God, die heb ik helemaal nog niet gezien dit jaar’, roept Marij Veugelers, ecoloog en actief bij de Vogelwerkgroep Amsterdam, door haar telefoon. Veugelers is jarenlang betrokken bij vogelonderzoek in de stad. Ze observeert vogels vanaf haar dakterras in de Jordaan, en geeft de data vervolgens door aan de Vogelbescherming Nederland.
Landelijk werd er afgelopen weekend een recordaantal van 1,9 miljoen tuinvogels geteld. Dat komt volgens Vogelbescherming Nederland onder andere door een stijging in het aantal tellers. In totaal deden er zo’n 137 duizend Nederlanders mee aan de telling. De koolmees werd het vaakst gesignaleerd, gevolgd door de huismus en de pimpelmees.
U doet de telling al een paar jaar. Hoe verliep het afgelopen weekend?
‘De telling was voor mij persoonlijk niet zo goed. Ik had dit jaar vijf soorten, vorig jaar had ik er acht. Dat is wel een stuk meer, maar het is natuurlijk een momentopname. Ik heb de koolmees, pimpelmees, roodborst, merel en de houtduif gezien. Het lijkt alsof de vogels na de sneeuwbui van een paar dagen geleden helemaal verkleumd waren, want ze waren kennelijk niet snel terug.’
‘Op de website van de tuinvogeltelling las ik dat veel mensen in stedelijke gebieden veel minder vogels hebben gezien.’
Hoe ben je voor het eerst bij de tuinvogeltelling terechtgekomen?
‘Ik ben van oorsprong ecoloog, maar mijn specialiteit lag niet bij dieren. Een vriendin van me begon in 2020 tegen me over het tellen van vogels. Toen dacht ik: nou ja, vogels, die moet je helemaal leren kennen. Dat is nogal wat.’
‘Maar toen kwam ik de tuinvogeltelling tegen. Die is heel laagdrempelig. Dat was de eerste stap: kijken hoe dat gaat. Ik heb weliswaar geen tuin in Amsterdam, maar ik heb wel een dakterras van drie bij vier meter met veel planten en een vogelhuisje. Daar hebben we heel veel gevleugelde bezoekers.’
Waarom is de telling zo belangrijk?
‘Wij ecologen roepen altijd: meten is weten. Als je op hetzelfde tijdstip iets meet, kun je zien hoe het in de loop van de tijd verandert. Je ziet dan welke soorten verdwijnen, welke erbij komen, en hoe populaties zich ontwikkelen. Dat is belangrijk voor het beleid in de stad, want je wil zoveel mogelijk vogels om je heen hebben. Je hebt dan namelijk het gevoel dat je meer verbonden bent met de natuur.’
‘Daarnaast is de tuinvogeltelling laagdrempelig. Er zijn veel ouders met kinderen die door de ruit naar buiten kijken. Het doel is vooral om mensen bewust te maken van vogels in de stad.’
Hoe kun je je tuin of balkon in de stad aantrekkelijker maken voor vogels?
‘Je ziet dat sommige soorten in de stad beter floreren dan in overige gebieden. Kleine ingrepen, zoals voer geven of planten neerzetten, maken verschil. Zo zie je dat stadsbewoners met een klein balkon of dakterras toch veel vogels kunnen aantrekken.’
‘Ik haal niet meer het mos tussen de tegels weg en laat bladeren liggen. Ik heb allerlei planten aangeschaft waar vogels van kunnen eten. Dan zie je dat ze komen. Vanochtend waren de merels bijvoorbeeld weer druk bezig met insecten zoeken tussen schelpen en kiezeltjes. Vroeger maakte ik dat allemaal schoon, maar het moeten echt rommelplekjes zijn.’
