Oudere kunstenaars wonen samen in het centrum: ‘We spelen geen bingo, wel gitaar’

In het Ramses Shaffy Huis wonen sinds 2016 oudere en jonge kunstenaars samen: schilders, musici, ontwerpers, tekenaars. Ze werken, wonen, maken en worden er ouder, zonder dat dat laatste het uitgangspunt is. In een tijd waarin creatieve broedplaatsen onder druk staan en culturele initiatieven worstelen met bezuinigingen en onzekerheid, is het huis aan de Piet Heinkade een opvallende uitzondering: stabiel, vol en gewild.

Op de gevel van het gebouw staat een regel uit een lied van Ramses Shaffy: Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder. Met de toevoeging: niet zonder ons. Het vat het huis goed samen. Kunst is hier geen project of bijzaak, maar een dagelijkse praktijk. ‘Ons motto is: geen dag zonder kunst,’ zegt medeoprichter Ed Cools. ‘En voor sommige bewoners betekent dat: geen uur zonder kunst.’

Het hotel van Ramses Shaffy

Het idee voor het huis ontstond jaren geleden, toen Cools directeur was van het Sarphatihuis. Shaffy, ziek en uitgesproken eigenzinnig, kwam daar wonen. Zijn beste vriendin Liesbeth List zocht een plek voor hem, maar het woord ‘verpleeghuis’ werkte averechts.

‘Zeg dan maar dat het een hotel is,’ stelde ze voor.

Shaffy geloofde het onmiddellijk. Hij zag het water, het atrium, de piano op de gang, en dacht dat Cools de hoteldirecteur was. Als hij hem later in de gangen tegenkwam, liep hij snel door, bang dat hij de rekening zou krijgen. Het is een anekdote met een bijsmaak: waarom was er eigenlijk geen plek waar eigenzinnige kunstenaars oud konden worden zonder dat hun leven meteen werd teruggebracht tot zorg?

Samen met List werkte Cools het idee uit: een huis voor kunstenaars, midden in de stad. Toen woningcorporatie Stadgenoot aan de Piet Heinkade een nieuwbouwcomplex met broedplaatsbestemming ontwikkelde, viel alles samen. In het gebouw kwamen 36 atelierwoningen, een sociëteit en een expositieruimte. Ook jonge, net afgestudeerde kunstenaars kregen er een plek, met tijdelijke contracten van vijf jaar.

Het huis opende in 2016. Negen jaar later is er nauwelijks verloop. Wie er woont, wil meestal blijven. Slechts enkelen verhuisden naar een verpleeghuis of overleden. Inmiddels staan zo’n tweehonderd kunstenaars op de wachtlijst.

‘Wegwezen daar, uit de Baarsjes’

Beeldend kunstenaar Marie Vink (79) woont er vanaf de oprichting. Na het overlijden van haar man voelde haar woning in De Baarsjes ineens te groot. ‘Daar woonde ik tussen expats,’ zegt Vink, geboren in de Jordaan. ‘Je komt daar minder makkelijk in contact. Ik zou er eenzaam zijn geworden.’

Ze reageerde op een klein berichtje over het nog te bouwen huis. Drie maanden later koos ze een appartement met uitzicht over de Piet Heinkade. ‘Ik heb er niet lang over nagedacht. Ik dacht: wegwezen daar, uit de Baarsjes.’

Einzelgängers

Met andere kunstenaars samenwonen betekent niet dat je dagelijks samen eet, benadrukt ze. ‘Kunstenaars zijn gekke mensen. We zijn einzelgängers – ik niet trouwens, want ik kom uit de Jordaan – en we zien elkaar zeker niet elke dag.’

Toch raakte haar iets wat ze niet had voorzien. ‘Dat gevoel dat dit mijn plek is, dat het vertrouwd voelt, maakt me elke dag blij. We spreken dezelfde taal. Mensen weten hier wat een kwast is, wat een expositie is. Ik voel me hier nooit alleen. In de Baarsjes had ik dat nooit gevonden.’

Jong en oud

In het huis wonen ook twaalf jonge kunstenaars naast de oudere generatie. Op papier is het idee helder: uitwisseling, inspiratie, samenwerking. In de praktijk kost dat tijd.

Als oudere kunstenaars einzelgängers zijn, zijn jongeren dat al helemaal, vindt Vink. De jongeren staan aan het begin van hun carrière. Ze exposeren, treden op, bouwen een netwerk op – en weten dat ze na vijf jaar weer moeten vertrekken. ‘Dat maakt het lastig om echt iets op te bouwen,’ zegt ze. 

Toch zijn er momenten waarop het wel lukt: gezamenlijke kunstprojecten, jazzavonden, tentoonstellingen, een waslijn op de binnenplaats waaraan kunstwerken worden opgehangen.

Culturele dagbesteding

Beneden in het gebouw bevinden zich een sociëteit en een expositieruimte. Die zijn stap voor stap ontstaan. Bewoners gaven aan wat ze nodig hadden, fondsen werden aangeboord, ruimtes werden langzaam ingericht. Veel gebeurt met vrijwilligers en gemeentelijke subsidies. Zelfs voor de optredens is een lange wachtlijst.

De kunst fungeert hier als infrastructuur: niet alleen als uiting, maar als middel om mensen bij elkaar te brengen. Er zijn lezingen, tentoonstellingen en muziekavonden. Drie dagen per week is er culturele dagbesteding voor ouderen uit de stad die vereenzamen. ‘We spelen geen bingo,’ zegt Cools. ‘We maken muziek, spelen gitaar, dansen, lezen samen. En er zijn altijd exposities.’

‘Heb het leven lief’

Die nabijheid lost veel op: eenzaamheid, het gevoel overbodig te zijn, het wegvallen van een netwerk. Maar niet alles. Sommige bewoners hebben intensieve zorg nodig: een kunstenaar met afasie, mensen met volledige thuiszorg. ‘Een boodschap doen kan nog wel,’ zegt Vink. ‘Maar specialistische zorg kunnen medebewoners niet leveren.’

Daarom opent in februari het Liesbeth List Huis, bedoeld voor kunstenaars met een grotere zorgvraag. Het idee blijft hetzelfde, maar met meer ondersteuning.

List had een uitgesproken afkeer van het idee dat mensen, zodra ze zorg nodig hebben, uit het leven verdwijnen. Haar vaste afscheidsgroet – heb het leven lief – prijkt op de muur van het nieuwe gebouw.

‘Dat zei ze altijd,’ zegt Cools. ‘Vaak met een glas witte wijn in de hand. Dan was het natuurlijk ook makkelijker om het leven lief te hebben.’