UvA-docent wint prijs voor onderzoek naar economische ongelijkheid: ‘Ze verliezen vanaf jonge leeftijd hoop’

UvA-docent Eddie Brummelman won vorige week de Mercator Sapiens Stimulusprijs. Hij krijgt 1 miljoen euro om onderzoek te doen naar de impact van economische ongelijkheid op kinderen. Hoe gaat hij dit geld benutten?

Eddie-Brummelman-fotograaf-Iris-Duvekot_groot-1
Foto: Iris Duvekot

Vorige week kreeg UvA-onderzoeker Eddie Brummelman te horen dat hij de Mercator Sapiens Stimulus had gewonnen, een wetenschapsprijs voor ambitieuze onderzoeksplannen waar een beurs van 1 miljoen euro is verbonden. Met het geld kickstart hij het onderzoeksproject ‘Generatie Hoop’, waarin zijn onderzoeksgroep KiDLAB gaat onderzoeken wat de impact is van economische ongelijkheid op de belevingswereld van kinderen. 

Als pedagoog en ontwikkelingspsycholoog houdt Brummelman zich veel bezig met hoe kinderen naar zichzelf kijken, en wat dat zegt over hun latere levensloop. Nu zoomt hij in op sociaaleconomische status, een belangrijke bepaler die het zelfbeeld van kinderen ingrijpend beïnvloedt.

Waarom is dit het moment voor onderzoek naar economische ongelijkheid?

‘Wereldwijd zien we dat die ongelijkheid toeneemt. Nederland is zelfs, op de Verenigde Staten na, het Westerse land met de grootste vermogensongelijkheid. Ik wil weten hoe die ongelijkheid in het hoofd van een kind terechtkomt. Welke conclusies trekken zij uit het feit dat het ene kind zonder ontbijt naar school komt, terwijl het andere kind in overvloed leeft?’

Wat is daarover al bekend?

‘Al op vijfjarige leeftijd herkennen kinderen sociaaleconomische verschillen. Ze kunnen mensen dan al indelen in ‘hoog’ en ‘laag’, en ze kijken naar deze verschillen door een ‘meritocratische’ bril: dat betekent dat ze denken dat mensen met een hogere sociaaleconomische status slimmer zijn en harder werken.

Kinderen die opgroeien in arme gezinnen voelen zich daardoor vaak minder waard dan hun leeftijdsgenootjes. Ze krijgen het idee dat ze minder ‘verdienen’. Zo verliezen ze al vanaf jonge leeftijd hoop: ze kunnen zich geen toekomst inbeelden waarin zij een waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving.

Hun zelfbeeld is een reflectie geworden van hoe de samenleving hen ziet. Zelfs leerkrachten doen er onbewust aan mee; als deze kinderen iets goed doen, wordt dat vaker toegeschreven aan hun inzet dan aan hun slimheid.’

Wordt die meritocratische boodschap – als je je best maar doet, kom je er wel – veel meegegeven aan kinderen?

‘Het is zelfs een veelvoorkomend thema in kinderboeken. Ken je het boekje The Little Engine That Could?’

Ken ik niet, maar ik ben nu wel heel benieuwd.

‘Het gaat over een locomotiefje dat zijn wagons over een hoge berg moet trekken. Hij betwijfelt eerst of het wel gaat lukken, maar begint dan tegen zichzelf te zeggen, in het ritme van een locomotief: ‘I think I can, I think I can, I think I can.’ De boodschap: geen berg is te hoog voor je, zolang je maar in jezelf gelooft en je stinkende best doet.

Daardoor ontstaat de gedachte dat slagen of falen een keuze, en dus volledig aan jezelf te wijten is. Dat negeert het ongelijke speelveld. Kinderen uit arme gezinnen moeten, objectief gezien, veel harder werken voor hetzelfde resultaat, ook als ze even slim zijn. Ik wil kinderen inzicht gaan geven in de effecten van die ongelijkheid.’

Het lijkt me lastig om zoiets structureels behapbaar te maken voor kinderen. Hoe willen jullie dat gaan doen?

‘Naar de precieze vorm zijn we nog op zoek, daar ben ik zelf ook nog nieuwsgierig naar. Je moet dit namelijk echt op een goede manier doen. Je wil natuurlijk niet dat vooral bij de kinderen blijft hangen hoe oneerlijk de samenleving is en hoe weinig daaraan te doen valt. Je wil dat het kinderen hoop geeft: dat ze beseffen dat ze samen een betere samenleving kunnen smeden.’

Wat zou een goede manier zijn?

‘Deze onderzoeksprijs maakt het mogelijk om creatief te zijn en risico’s te nemen. Daarom heb ik gekozen voor een interdisciplinaire aanpak. Zo wil ik de kinderen zelf bij het onderzoek betrekken. Dat gebeurt helaas te weinig, want vaak wordt onderschat wat kinderen zelf al weten over de samenleving. 

Daarnaast wil ik ook gaan werken met kunstenaars en geesteswetenschappers. Kunstenaars weten als geen ander hoe ze dominante verhalen – zoals die meritocratische gedachte – kunnen bevragen en doorbreken. Bovendien laat ons eerdere onderzoek zien dat zij het inbeeldingsvermogen van kinderen goed kunnen aanspreken. Ook geesteswetenschappers hebben veel verstand van hoe een narratief werkt. Samen met hen wil ik op zoek naar een verhaal dat kinderen hoop geeft.’