“Het is nu eerst overleven”

De kinderopvang heeft het zwaar in Amsterdam. Teruglopende aantallen kinderen dwingen organisaties tot steeds drastischer maatregelen om de financiën op orde te houden. Kwaliteit wordt steeds minder belangrijk, overleven des te meer.

Tijdens het praten slaat Danielle af en toe haar hand voor haar mond. “Wat erg he, dat het zo is”, zegt ze meerdere malen. In haar kinderdagverblijf Amsterdam-Oost heeft ze op vrijdag maar zeven peuters, terwijl er 26 kunnen komen. Uit noodzaak heeft ze een groep gesloten. Ze vreest dat het binnen korte tijd moeilijk zal gaan worden om financieel rond te komen. Want, zo zegt ze, minder kinderen betekent minder geld. “En dat zullen we toch ergens vandaan moeten halen.”

Kinderopvang in Amsterdam was jarenlang ‘booming’. Nu heerst de eerste crisis in het bestaan van de opvang. Foto: Alexander Leeuw
Door heel Amsterdam voelen kinderopvangorganisaties de gevolgen van de economische crisis die in 2011 insloeg. De bezuinigingen van het kabinet-Rutte I op de kinderopvangtoeslag maken het er in 2012 niet eenvoudiger op. Gezinnen brengen hun kinderen minder vaak naar de kinderopvang. Dat leidt tot vijf tot tien procent minder kinderen, zeggen betrokken organisaties. Als gevolg daarvan moet er bezuinigd worden, maar de manieren waarop dat kan, raken op. En daarmee loopt de kwaliteit van de opvang terug.

Voor het eerst sinds in 2005 de kinderopvang geprivatiseerd werd, kent de sector een terugval. In alle voorgaande jaren groeide steeds. Eind 2011 maakten iets meer dan 40 duizend kinderen gebruik van formele opvang, 1139 meer dan in 2010. Jarenlang kende de kinderopvang een wachtlijst. Eind 2010 moesten er in Amsterdam eerst 1830 kinderen van de opvang af, voordat een kind opgevangen kon worden.

Als gevolg van de stijgende vraag kwamen er de laatste jaren bijna honderd kinderdagverblijven bij: van 319 in januari 2010, tot 412 eind 2011. Het kwam erop neer dat ieder gezin dat opvang zocht, eind 2011 slechts 400 meter hoefde te lopen alvorens een kinderdagverblijf te vinden, zo berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Ook Danielle erkent dat ze het in voorgaande jaren heel goed heeft gehad. “Het zat vol, er waren veel kinderen. En het mooiste was dat als de oudste kind van onze vestiging af ging, het tweede kind er weer bij kwam.”

Afname
De bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag van het kabinet-Rutte I hebben de stijgende groei van kinderopvang abrupt gestopt. Uit een landelijke enquête van de Branchevereniging Kinderopvang van maart 2012 blijkt dat 61 procent van de vraaguitval direct te maken heeft het korten op de toeslag. Inmiddels geeft 71 procent van de werkgevers aan geen wachtlijst meer te hebben.

Kader: Bezuinigingen op de kinderopvang in 2012

De kosten van de kinderopvang worden betaald door drie partijen. De werkgevers, de ouders en de overheid. Voor werkgevers staat dat bedrag vast, maar de overheidstoeslag is inkomensafhankelijk. Bezuinigingen op deze toeslag leiden ertoe dat deze bijdrage gaat dalen.
Gezinnen kunnen tot een maximaal bedrag toeslag aanvragen. Voor 2012 ligt dat bedrag op 6,36 euro per uur. Dit bedrag is gelijk aan dat van 2011. Wel verwacht het Kabinet een grotere financiële bijdrage van ouders.
Dat bereikt de overheid door te bezuinigen. De toeslag is gekoppeld aan het aantal uren dat een ouder of zijn/haar partner werkt. Voor kinderopvang geldt dat per jaar niet meer dan 140 procent van het aantal gewerkte uren van de ouder voor kinderopvangtoeslag aangevraagd mag worden. De toeslag wordt berekend aan de hand van de uren van de minst werkende ouder.
De pijn zit echter bij de toeslag voor het tweede kind op de opvang. Gezinnen met een gezamenlijk inkomen boven de euro 130.000 krijgen voor het tweede kind nog maar 33% vergoed. Dat was in 2011 nog 80%.
Het bedrag dat gezinnen per maand moeten betalen kan hoog oplopen. Zo betalen ouders met een minimuminkomen met twee kinderen dit jaar 22 euro per maand meer. Ouders met een inkomen van 3,5 keer modaal betalen 99 euro per maand meer.

Bovendien blijkt uit cijfers van het CBS dat steeds meer gezinnen kiezen voor de ‘informele’ opvang van familie, buren of kennissen. Tussen 2009 en 2011 steeg het percentage van het totaal aantal kinderen in de informele opvang van een kwart naar een derde van het totaal, terwijl in de formele kinderopvang dat percentage juist afnam.

De Brancheorganisatie Kinderopvang spreekt van een terugval van 5 tot 15 procent over 2012 en organisaties Partou, Tinteltuin, Kinderrijk en Estro in Amsterdam bevestigen dat. Al is het moeilijk te zeggen hoeveel vraaguitval er precies is, zegt Aad de Booij van Partou. “Organisaties zijn terecht terughoudend om daar uitspraken over te doen. Vooral bij kleinere aanbieders zou dat immers bij ouders onzekerheid kunnen veroorzaken over de continuïteit.”

Daarnaast nemen veel gezinnen een paar dagdelen minder kinderopvang af. Iets waar kinderopvangorganisaties rekening mee moeten houden, maar waar de methoden om dat te meten nog niet voldoende zijn. “De administratiesystemen zijn eigenlijk niet berekend op deze ‘gedeeltelijke daling’ van plaatsingen”, zegt Karen Strengers van Tinteltuin, met 12 vestigingen de op drie-na grootste kinderopvangorganisatie in Amsterdam. “Wij houden het aantal in- en uitschrijvingen elke maand bij en zien daar wel een patroon in, maar als een kind minder dagen komt, kunnen we dat niet meten.”

In de kinderdagverblijven zelf zien werknemers wel hoeveel kinderen er minder komen. Danielle merkt het, en ook op het kinderdagverblijf van Marja komen de kinderen niet meer. Op haar locatie, waar normaal veertig kinderen opgevangen kunnen worden, zijn er na een jaar vol bezuinigingen nog maar 24 over. Nog zes kinderen minder en dan moet er weer een werknemer minder gaan werken.