“Ziek zijn gaat ’s nachts gewoon door”

Kinderverpleegkundigen Chantal en Jackelien. (Foto: Tirza van der Graaf)
Kinderverpleegkundigen Chantal en Jackelien. (Foto: Tirza van der Graaf)
De meeste Amsterdammers liggen in de late uurtjes gewoon in bed. Maar ook ‘s nachts wordt in onze stad gewerkt. DJ’s, bakkers, ambulancepersoneel: waarom kozen ze ervoor te werken wanneer iedereen slaapt? Deze week: de verpleegkundigen op de kinderafdeling van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis.

Gele vlinders steken uit de wand op de tweede etage van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Ze vormen samen de ‘vlinderroute’, die naar de verpleegafdeling Kindergeneeskunde leidt. Aan het plafond hangen geplastificeerde plaatjes van Winnie de Poeh.

Onvoorspelbaar
Kinderverpleegkundige Chantal van der Meer (47), witte broek en blauwe polo, loopt de vergaderruimte binnen. “Eerst even mijn man bellen”, zegt ze. Even later klinkt een opgewekt “Ik ben er hoor!” door de telefoon. “Mensen vragen zich vaak af wat ik precies uitspook als ik nachtdienst heb”, gaat ze verder. “‘Ze slapen toch gewoon?’, zeggen ze dan. Maar ziek zijn gaat ’s nachts gewoon door.” Haar collega Jackelien Buitenhuis (30) komt binnen en zegt: “De meeste zieke kinderen komen hier ’s nachts binnen en niet overdag.”

“Bij kinderverpleging moet je patiënten heel anders benaderen”, zegt Van der Meer. “Ze zijn veel gevoeliger voor de dosis van de medicatie en kunnen onvoorspelbaar reageren.” Op de afdeling liggen kinderen van 0 tot 18 jaar. Er is een kinder- en een tienergedeelte. “Vanaf zestien jaar kunnen kinderen kiezen voor de volwassenenafdeling”, legt Van der Meer uit.

Babystemmetjes
Om half 11 begint de overdracht en worden de veertien kinderen die er liggen besproken. Van der Meer en Buitenhuis krijgen precies te horen hoeveel ze hebben gedronken en welke medicijnen ze hebben gehad.

Dan gaan de verpleegkundigen naar de ‘teampost’ tussen de kamers. Buitenhuis zet de computers aan en houdt de monitors tegelijkertijd goed in de gaten. Op de zwarte schermen worden de hartslag en het zuurstofgehalte met gekleurde lijntjes in het bloed van de negen kinderen bijgehouden. De rest van de kinderen slaapt door. Achter de balie staat een groot zwart apparaat dat op een stereo-installatie lijkt. Er klinken huilende babystemmetjes uit.

Ouders lopen op hun sokken de kamers in en uit. “We hebben het liefst dat minstens één ouder hier overnacht. De kindjes liggen in een vreemde omgeving, het is fijn voor hen als er een vertrouwd persoon bij is”, zegt Van der Meer.

Multiculti
Dat het ziekenhuis “multiculti” is, vinden de verpleegkundigen leuk. “We krijgen hier veel verschillende patiënten. Van mensen die helemaal geen Nederlands spreken tot yuppen”, zegt Buitenhuis. “Door de taalbarrière is het lastig uitleggen aan ouders wat hun kind precies heeft.” Ook kan het moeilijk zijn als de ouders van de kinderen zelf arts zijn. “Tegen hen zeggen we: u bent hier niet als arts, maar als ouder van uw kind.”

Rond een uur of 12 komt Buitenhuis uit één van de kamers gelopen met een baby van een week oud. Ze heeft het kindje op haar schoot liggen en geeft het een flesje. Intussen houdt ze de monitor en de klok aan de muur goed in de gaten. “Naast het voeden geven we op vaste momenten medicijnen. De rest van de tijd is het ‘bellen lopen’.” Buitenhuis doelt op de pieper in haar zak.

Nare dingen
“Ik ga de behandelkamer schoonmaken!”, roept Buitenhuis naar haar collega. “Hier gebeuren de nare dingen, zoals prikken en hechten.” De kamer is speciaal voor kinderen ingericht. Boven de behandeltafel hangt een plaat met dieren erop, zodat de kinderen daarnaar kunnen kijken. “Bij de behandelingen zit er meestal een pedagogisch werker bij die de kinderen afleidt.”

Rond een uur of twee klinken nog steeds babystemmetjes uit de zwarte installatie. Van der Meer en Buitenhuis blijven constant vanaf hun post naar de kamers lopen. “Ik vind het beter dan niks doen”, zegt Van der Meer. “Anders kruipen de uren nog trager voorbij.” Buitenhuis leest patiëntendossiers door op de computer. “Ik hoor het huilen nog wel, maar irriteren doet het niet meer.”