Het aantal mensen dat werkt, maar toch kampt met geldproblemen stijgt weer in Nederland. Hoe kan het dat voor een groeiende groep werken geen bescherming biedt tegen armoede?
‘Werken moet lonen’. Het is een gevleugelde politieke uitspraak die ook weer in het op vrijdag gepresenteerde coalitieakkoord is beland. Het idee: wie in Nederland werkt, hoeft niet arm te zijn en kan zich aan zijn eigen schoenveters optrekken.
In werkelijkheid stijgt het aantal werkende armen juist. Dat blijkt uit cijfers over 2024 die het CBS vorige maand presenteerde. In de jaren daarvoor daalde dat aantal nog.
Het gaat om 175.000 mensen die ondanks hun inkomen uit arbeid of hun onderneming, niet genoeg overhouden voor basisbehoeften zoals eten of kleding. Meer dan de helft van hen moet rondkomen van een inkomen dat 25 procent onder de armoedegrens ligt. In een dure stad als Amsterdam liggen zij nog eens extra onder druk.
Werkenden kunnen onder meer in deze situatie belanden wanneer zij weinig uren, niet het hele jaar of tegen lage tarieven werken. Dat kan een keuze zijn, maar ook komen door ziekte, arbeidsongeschiktheid of zorgverplichtingen.
Instabiel werk
Vooral in de horeca, industrie en schoonmaaksector werken veel mensen zonder dat hun werk loont. Het zijn sectoren waar veel gebruik wordt gemaakt van tijdelijke contracten met wisselende uren. Dat leidt tot veel onzekerheid en instabiliteit.
‘Zelfs als mensen qua inkomen boven de armoedegrens uitkomen, kan een instabiele en onzekere baan voor het gevoel zorgen niet goed rond te kunnen komen’, vertelt Joris Beek, die namens de Erasmus Universiteit onderzoek doet naar deze groep. ‘Zo hebben bijstandsgerechtigden doorgaans een lager inkomen, maar voelen zij zich minder arm, doordat hun inkomen tenminste stabiel is.’
Ook werkgevers zouden volgens Beek verantwoordelijkheid moeten nemen. Hij verbaast zich over de gang van zaken op zijn eigen universiteit, waar hij en zijn collega’s kennelijk mee instemmen: ‘We hebben mensen met een universiteitscao, een schoonmakerscao en een cateringcao. Ik vind het onbegrijpelijk dat het salaris waarvoor we onze gebouwen laten onderhouden, dermate laag is dat wij er zelf nooit akkoord mee zouden gaan.’
Geen vaste groep
De nadruk zou volgens Beek dus niet moeten liggen bij de mensen zelf. ‘Er is geen vaste groep telkens opnieuw in de statistieken terechtkomt. Als je de cijfers van opeenvolgende jaren met elkaar vergelijkt, zie je dat zo’n 80 procent na twee jaar uit nieuwe mensen bestaat. Het overgrote deel bevindt zich zelfs maar één jaar in deze positie.’
Het laat, volgens Beek, zien dat werken nog steeds de weg uit de armoede is, maar dat de discussie zou moeten verschuiven naar welk werk en onder welke voorwaarden. ‘We moeten ons afvragen: hoe kan het dat er banen zijn waarvan we weten dat die niet op een duurzame manier vol te houden zijn? Die verantwoordelijkheid ligt niet bij een individu, maar bij ons allemaal.’
