‘Ik was doodsbang voor trams’

Migranten geven Amsterdam karakter. Wie zijn ze en hoe zag hun eerste dag in Amsterdam eruit?

Gurman ‘Sonny’ Singh (1965) uit India kwam in 1991 voor een tijdje bij een vriend in Amsterdam wonen. Dat leek hem wel leuk. Nu heeft hij een Nederlandse vrouw en een eigen falafelzaak genaamd ‘Sonny’ in de Pijp.

“Als je een paar jaar in Amsterdam woont, kan je niet meer weg. Ook al verhuis je, je komt altijd terug. Je raakt gewend aan de drukte, 24 uur per dag mensen op straat. Alles buiten de stad wordt saai.

“Ik had geen plannen om hier te blijven wonen. Ik wilde na een tijdje weer terug naar India. Ik ben geboren in de noordelijke provincie Punjab. Ik heb vanaf mijn tiende geworsteld. Met mijn school ben ik toen ik vijftien of zestien was nationaal kampioen worstelen vrije stijl geworden. Met een groep jongens zijn we toen ik achttien was gaan rondreizen door Afrika, om aan wedstrijden mee te doen.

Sonny achter de balie van zijn falafelzaak (Foto: Sam de Voogt)
Sonny achter de balie van zijn falafelzaak (Foto: Sam de Voogt)

“In 1991 werd ik door een vriend uit het worstelcircuit uitgenodigd om een tijdje in Amsterdam te komen wonen. In december landde ik op het vliegveld. Er lag sneeuw. Ik nam een taxi naar de Kinkerstraat, daar woonde mijn vriend. Toen ik aanbelde deed er niemand open. Ik ben op de stoep gaan zitten wachten. Het was heel koud. Na vijf of zes uur was hij er nog steeds niet. Maar een kennis van hem, ook een Indier, liep toevallig langs en herkende mij van het worstelen. Hij heeft mij toen meegenomen naar zijn woning op de Eerste van der Helststraat.

“In het begin was ik doodsbang voor de trams. Als er een tram aankwam rende ik zo hard mogelijk weg. In India is iedereen doodsbang voor treinen, omdat er veel mensen op het spoor overlijden door ongelukken. Maar de tweede dag durfde ik in te stappen en ben ik de hele stad doorgereden.

“Ik vond alle fietsers wel leuk. Zelf heb ik leren fietsen in India. Maar daar rijdt het verkeer aan de linkerkant van de weg. Dus ik reed in het begin gewoon links, tegen het verkeer in. Al die Nederlanders begonnen tegen me te schreeuwen. Dat heb ik snel afgeleerd.

“In de zomer van 1992 ontmoette ik een Nederlands meisje, Kenya. Dankzij haar ben ik langer in Nederland gebleven. Zo’n zeven maanden hadden we verkering, voordat het uitging. Toen wilde ik niet meer weg.

“Het gevoel van vrijheid was voor mij een hele belangrijke reden om in Amsterdam te blijven. Door je familie word je toch wel in de gaten gehouden en in Amsterdam was er geen familie. Bovendien is Amsterdam een leuke stad. Je kan er alles vinden. De mensen hier zijn lief en behulpzaam, nauwelijks agressief. Ik heb nog nooit een vechtpartij gezien hier in de straat, terwijl er een hoop dronken mensen rondlopen.

“In India heb ik een koksopleiding gevolgd. Dat was handig toen ik in de eerste maanden in Amsterdam werk zocht. Mijn eerste baantje was afwassen in een Chinees restaurant. Daarna heb ik op allerlei plekken gewerkt, tot ik in 1994 bij de falafelzaak op de Eerste van der Helststraat kon gaan koken. Na een jaar opleiding kon ik de zaak overnemen. Dat wilde ik altijd al, een eigen restaurant.

“Nu maak ik de beste falafel van Europa, al zeg ik het zelf. Klanten worden boos als ik op vakantie ben geweest. Dan word ik echt gemist. Het geheim is verse ingrediënten, elke dag weer. Het is niet alleen mijn werk maar ook mijn hobby.

“Met mijn familie heb ik nog steeds bijna dagelijks contact en ik ga jaarlijks op vakantie naar India. Teruggaan naar Nederland en mijn familie achterlaten is lastig. Mijn vrouw Hennie, die ik in 1994 heb ontmoet, heeft zelfs meer heimwee dan ik. Ze is Nederlandse, maar ze heeft weinig familie hier. Ze is helemaal opgenomen door mijn familie. Ze wil nooit terug als we op vakantie zijn geweest in India. Maar ik heb hier mijn zaak.

“Daarom blijf ik terugkomen. Een mooie plek is moeilijk te vinden. Hier heb ik hem gevonden. Ik kan de zaak verkopen zodat ik terug kan naar mijn familie, maar dat vind ik te moeilijk. Het liefst ga ik hier nooit meer weg.”