Zelfs een ‘enge creep’ is welkom bij Hein Janssen: “als ‘ie maar geniet”

De straat van Hein Janssen (Bron: Milo van Bokkum)
De straat van Hein Janssen (Bron: Milo van Bokkum)
WATERGRAAFSMEER Amsterdammers zijn gewend geraakt aan de drukte in de binnenstad – een rij van tientallen meters voor het Rijksmuseum is niet ongewoon. De stad is populairder dan ooit, maar hoe gastvrij is de Amsterdammer? NAP onderzoekt het. En wat is nu een betere manier om dat te testen dan ergens aan te bellen voor een dinertje? In navolging van Man Bijt Hond nam NAP de proef op de som in de Amsterdamse Watergraafsmeer.

“Ik ga pas laat eten hoor”, legt Hein Janssen me in het portiek uit. Hij is de eerste die de deur niet snel dichtgooit. Al pratende daalde hij rustig af, van het bovenhuis naar de deuropening. Drukke families, boze mannen met honden en vriendelijke Home Alone-pubermeisjes — ze waren met een fles wijn niet te bekoren. Maar Janssen stelt geduldig vragen, terwijl hij en passant een NRC uit de bus trekt. “Ik heb eigenlijk ook alleen maar wat restjes die ik zou eten.” Hij is druk aan het werk, legt hij uit. Morgen heeft hij een deadline, een groot artikel, maar hij vindt het leuk. “Is over twee uurtjes ook oké?”

Precies om acht uur sta ik weer op de stoep. Vanaf de eerste verdieping trekt hij de deur met een touw open. “Ik heb salade, soep, en zuurkool met Italiaans spek.” Hij legt een kleed over de tafel, dat is toch gezelliger. Het huis is typisch voor de Watergraafsmeer. Een schuifdeur tussen de eetkamer en de woonkamer, uitzicht op de straat. Aan de muren hangt kunst, (“Foto’s, van Erwin Olaf”), in vitrinekasten staat glaswerk.

Janssen is theaterredacteur bij de Volkskrant. Ooit begonnen bij Dagblad de IJmond (“raadsvergaderingen”), via het Haarlems Dagblad naar de Wibautstraat. Hij was er altijd een buitenbeentje. “Ik ben toch een man van kleren en stijl, en… het was toch echt een hardewerkersmannenkrant. PvdA.” Hij lacht grappend. “Ze stonken. Maar toch heb ik me er altijd thuis gevoeld.” Hij schenkt wijn bij. De soep smaakt, de salade kraakt.

Nu is hij de ervaren krantenman. Net terug uit Stockholm, een interview met toneelschrijver Lars Norén. “Mensen van 30-40, die kennen hem nog. Maar hij komt terug, let maar op.” Het artikel verschijnt vrijdag, de deadline is morgenochtend. Boven, op de werkkamer, zit hij te schrappen en te schrijven, zeker nog tot diep in de nacht. “In die zin word ik nu ernstig onderbroken door jou.” Hij glimlacht. Maar hij kan het aan, hij heeft discipline. “Journalistiek is een vakmatige kunst. Je creëert, maar je moet ook met deadlines kunnen omgaan.”

Andere ambities heeft hij nooit gehad. Of nou ja, misschien een kunstshow, op televisie. Hij deed wel amateurtoneel, maar is geen gefnuikte acteur. Hij is trots op het vak van de journalist. Alles wat in de wereld gebeurt komt erin samen. “Mensen vragen vaak: gaat dat niet vervelen, zo vaak naar het theater? Dan zeg ik: Nee, ik ben altijd benieuwd. Van Frascati tot New York. Soms is het een teleurstelling, vaak is het wel aardig, een enkele keer briljant.”

De zuurkool is heet maar buiten is het koud, dus dan is het goed, volgens Janssen. “Gaan we eigenlijk nog over gastvrijheid praten?”, vraagt hij rond het vijfde glas wijn. Het is half elf. “Ik twijfelde wel even”, zegt hij, “toen jij voor de deur stond.” Toch interessant, dat bang zijn voor vreemden. Landelijk en lokaal. “Maar ja, een enge creep mag ook best komen, als ‘ie maar geniet.”