Wim (89): ‘We hadden het lef niet om de spertijd te overtreden’

De huidige avondklok roept associaties op met de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitse bezetter Nederlanders verbood om zich ’s nachts op straat te begeven. Vanaf september 1944 gold deze ‘spertijd’ in Amsterdam van acht uur ‘s avonds tot zes uur ‘s ochtends. ‘We hadden het lef niet om de spertijd te overtreden,’ vertelt Wim Aalbersberg (89). ‘De angst voor represailles was buitengewoon groot.’

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Na het bombardement op Rotterdam besloot het Nederlandse leger op 15 mei zich over te geven. Er werd een Duitse overheid ingesteld die op allerlei manieren probeerde om verzet te ontmoedigen. Een van de maatregelen was de invoering van een avondklok, die door de Duitsers ‘sperrzeit’ werd genoemd. Vanaf 1 november 1940 mocht de bevolking tussen twaalf uur ’s nachts en vier uur ’s ochtends niet zonder vergunning de straat op gaan. Wie zich tijdens de spertijd buiten waagde, liep het risico opgepakt of zelfs neergeschoten te worden.

Verduisteringsplicht

Daarnaast stelden de Duitsers een verduisteringsplicht in, om het navigeren en bombarderen voor de geallieerde vliegtuigen moeilijker te maken. Iedere burger was verplicht om thuis alle vensters volledig af te schermen, bijvoorbeeld met verf of verduisteringspapier. Geen kiertje licht was toegestaan. Ook de straatverlichting werd niet ontstoken en lampen van auto’s en fietsen mochten heel weinig licht uitstralen.

Die duisternis kon gevaarlijk zijn. Mensen hadden soms grote moeite om hun bestemming te vinden en er vonden veel ongelukken plaats. Alleen al in Amsterdam verdronken in de eerste zes maanden van de bezetting zestig burgers. Huisnummers werden in Amsterdam met grote witte cijfers op de muren geverfd, zodat ze in het donker beter te zien waren. Amsterdammers die in het donker hun weg in de stad wisten te vinden, lieten zich inhuren als ‘persoonlijk leidsman’.

Bekendmaking-over-spertijd-ivm-met-aanslagen-van-het-verzet-in-Amsterdam
Bekendmaking van vervroegde spertijd na aanslagen van het Amsterdamse verzet in 1945

Bron: Beeldbank WO2 – NIOD

Strafmaatregel

Op 1 februari 1942 nam de bezetter strafmaatregelen tegen de Amsterdamse bevolking, na een serie aanslagen door het Amsterdamse verzet. De spertijd werd aangescherpt: al vanaf acht uur ’s avonds moesten de Amsterdammers binnen blijven, en vanaf zeven uur mochten er geen trams meer rijden. Het Duitse bestuur van Amsterdam hief de maatregel na een maand weer op, maar zou de spertijd vaker inzetten als strafmaatregel. Op 11 april 1945 werd aangekondigd dat de Amsterdammers al om zeven uur ’s avonds binnen moesten zijn, na dynamietaanslagen op meer dan twintig Duitse bunkers in de stad.

Vanaf 30 juni 1942 gold voor de Amsterdamse joden acht uur als spertijd. Vanaf die datum mochten zij ook geen gebruik meer maken van de tram. Voor de Joodse Amsterdammers en de mensen die hen onderdak gaven, betekende bezoek na acht uur ’s avonds groot onheil. Berucht waren de nachtritten van de Amsterdamse tram in 1943. In de schemerig verlichte trams zaten mannen, vrouwen en kinderen die kort daarvoor uit hun huizen waren gehaald. Ze werden naar de Hollandsche Schouwburg gereden, het gebouw waar veel Amsterdamse joden gevangen werden gehouden voordat zij op transport werden gezet.

In september 1944 ging de spertijd voor alle Amsterdammers gelden vanaf acht uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends. De bezette gebieden waren afgesneden van de reeds bevrijde delen van het Nederland, waardoor grote tekorten aan brandstof en voedsel ontstonden. In augustus 1944 werd de gasvoorziening stopgezet. In oktober hield ook de elektriciteit ermee op en trad de duisternis de Amsterdamse huizen binnen. De onderdrukte bevolking keek uit naar de bevrijding als naar het einde van een lange, bange nacht.