Waar komen de Amsterdamse bijstandsgerechtigden vandaan?

Vanaf 1 februari a.s. mogen alle bijstandsgerechtigden in Amsterdam 200 euro per maand gaan verdienen bovenop hun uitkering. Arjan Vliegenthart (SP) wil met dit experiment bijstandsklanten uit de langdurige werkloosheid helpen.  Maar welke mensen krijgen er een uitkering? Waar komen de uitkeringsgerechtigden vandaan?

Westerse versus niet-westerse migratieachtergrond
Bijna 70 procent van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Dat is relatief veel, als je kijkt naar het aantal niet-westerlingen met een ‘arbeidsleeftijd’ in de gemeente. Slechts 33 procent van de Amsterdamse potentiële beroepsbevolking* heeft een niet-westerse migratieachtergrond.

Mensen met een westerse migratieachtergrond zijn juist ondervertegenwoordigd in het bijstandsbestand: 9 procent van de bijstandsuitkeringen versus 18 procent van de potentiële beroepsbevolking.

Links: bijstandsuitkeringen in Amsterdam naar migratieachtergrond (2017)
Rechts: potentiële beroepsbevolking in Amsterdam naar migratieachtergrond (2017)

‘Van de westerse migranten komt het grootste deel uit Duitsland’ zegt Frits Schopenhauer, adviseur bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente. Deze groep westerlingen heeft een hoog gemiddeld opleidingsniveau en zit in cultureel opzicht al dicht bij Nederland. ‘De gemiddelde Duitser komt gewoon makkelijker aan de bak dan de gemiddelde Afrikaan.’

Een gelijksoortige verklaring komt vanuit het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). ‘Westerse migranten komen meestal naar de stad voor een specifiek doel: werk of studie’, stelt Inge Razenberg, die onderzoek deed naar arbeidsintegratie in Amsterdam. Dan is het begrijpelijk dat ze niet snel in de bijstand belanden.

Naar verhouding zitten er weinig niet-migranten – ‘Nederlanders’ – in de Amsterdamse bijstand. 24 procent van de uitkeringen gaat naar hen toe, terwijl ze 49 procent van de potentiële beroepsbevolking uitmaken.

‘Nederland heeft natuurlijk zijn eigen manier van solliciteren, een CV opstellen, omgaan met je baas…’ aldus Razenberg. Logisch dat je daar als niet-migrant het makkelijkst je weg in vindt.

Diversiteit
De afgelopen vijf jaar is het percentage niet-westerse bijstandsgerechtigden licht gestegen, terwijl het percentage voor ‘Nederlands’ is gedaald. Het aandeel van mensen met een westerse migratieachtergrond bleef ongeveer gelijk.

De onderstaande grafiek laat zien hoe verschillende afkomsten vertegenwoordigd zijn in respectievelijk de bijstand en de potentiële beroepsbevolking.

Aandeel in bijstandsbestand en potentiële beroepsbevolking, naar migratieachtergrond per land (in procenten, 2017)

Mogelijk speelt discriminatie een rol in de arbeidskansen voor niet-westerlingen, met name bij ‘kleurlingen’. Volgens de KIS-onderzoeker moeten organisaties actiever werken aan hun diversiteitsbeleid. ‘Een bedrijf wordt niet vanzelf inclusiever. Je moet met elkaar een visie formuleren en daar je selectieprocessen aanpassen. Alleen zo kan de organisatiecultuur veranderen.’

In de categorie van mensen met een overige, niet-westerse achtergrond, zit een flink aantal statushouders. In 2017 zaten er 4251 vluchtelingen met een verblijfsvergunning in de Amsterdamse bijstand.

Om een bijstandsuitkering te kunnen krijgen, moet je de Nederlandse taal minimaal op A2-niveau beheersen. Dat is tevens het niveau dat bij het inburgeringsexamen wordt vereist. Dit is echter nog niet genoeg om te kunnen functioneren op de arbeidsmarkt, zo stelt de afdeling jeugd en onderwijs van de gemeente Amsterdam. ‘A2 is een begin, een basis, maar voor werk heb je minstens B1 nodig.’

Vergelijking met Nederland
Toch doen veel Nederlandse gemeenten het slechter op migrantenniveau. Niet-westerse migranten zijn gemiddeld vier keer zo sterk vertegenwoordigd in de bijstand als in de potentiële beroepsbevolking. In Amsterdam gaat het ‘slechts’ om een dubbele vertegenwoordiging in de bijstand.

De gemeente verklaart haar relatieve succes door de kennis van de klantmanagers: de directe begeleiders voor bijstandsgerechtigden. ‘[Zij] spreken verschillende talen en hebben een diverse culturele-en werkachtergrond.’ Daardoor kan de gemeente meer betekenen voor mensen uit het buitenland.

Wel zullen statushouders wellicht benadeeld blijven bij het bijverdien-experiment in Amsterdam. Razenberg: ‘Statushouders hebben een algehele achterstand op de arbeidsmarkt. Ze spreken niet alleen beperkt Nederlands, maar moeten ook nog hun netwerk opbouwen.’ Zelfs het vinden van een bijbaan is dan lastig.

Volgens de KIS-onderzoeker zouden statushouders tegelijk met taal en werk bezig moeten kunnen zijn. ‘Taalvaardigheid en zelfredzaamheid leer je niet zomaar in een klasje: de praktijk, bijvoorbeeld via een leerstage of een baan, is essentieel.’ In dat opzicht is er sprake van een death trap: in de bijstand door een taalprobleem, en een taalprobleem door de bijstand.

 

*Potentiële beroepsbevolking volgens de gemeente van Amsterdam: alle mensen tussen de 15 en 74 jaar.

De cijfers zijn verzameld bij het Centraal Bureau van de Statistiek en bij de afdeling Onderzoek, Informatie en Statistiek van de gemeente Amsterdam.